ECLI:NL:CRVB:2007:BA1030

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3223 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 61 lid 3 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herhaalde weigering erkenning als burgeroorlogsslachtoffer na terughoudende toetsing

Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in 1996 om erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten veroorzaakt door gebeurtenissen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Dit verzoek werd afgewezen omdat niet was gebleken dat appellant was getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

In februari 2005 diende appellant een herzieningsverzoek in, dat eveneens werd afgewezen omdat hij geen nieuwe feiten of gegevens aanvoerde die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien. De Raad toetste dit besluit terughoudend en concludeerde dat appellant in wezen zijn eerdere standpunten herhaalde zonder relevante nieuwe informatie.

De Raad oordeelde dat de tewerkstelling van appellant niet kan worden aangemerkt als een handeling of maatregel in de zin van de Wet en dat de overige door appellant genoemde gebeurtenissen onvoldoende zijn bevestigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering erkenning als burgeroorlogsslachtoffer is ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/3223 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] Spanje (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 12 mei 2006, kenmerk JZ/W60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Appellant is, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, in februari 1996 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan hetgeen hem is overkomen tijdens de Japanse bezetting van de voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende, zogenoemde, Bersiap-periode, te weten:
tijdens de Japanse bezetting:
-tewerkstelling in een kroepoekfabriek;
-het geslagen zijn met een geweerkolf;
-het gedwongen getuige zijn geweest van een executie;
tijdens de Bersiap-periode:
-het meemaken van beschietingen.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 24 oktober 1996 op de grond dat niet is gebleken dat appellant getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. In dat verband is overwogen dat met betrekking tot de genoemde tewerkstelling geen sprake is geweest van een tegen appellant gerichte handeling of maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet en dat de overige gebeurtenissen in onvoldoende mate zijn komen vast te staan dan wel aannemelijk zijn te achten.
Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.
In februari 2005 heeft appellant zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering. Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van
5 september 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen - kort gezegd - dat appellant bij zijn herzieningsverzoek en ook tijdens de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, zodat geen aanleiding bestaat het eerdere besluit te herzien.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
De hiervoor genoemde aanvraag van februari 2005 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor genoemde besluit aangaande de aanvraag van februari 1996.
Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dat brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.
Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerste aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden om het toen genomen besluit te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken.
De Raad moet vaststellen dat appellant bij het onderhavige herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd. Appellant heeft zijn herzieningsverzoek ook niet vergezeld doen gaan van - relevante - gegevens die verweerster bij het nemen van het eerdergenoemde besluit niet bekend waren en op onderhavige kwestie een nieuw licht werpen.
Naar het oordeel van de Raad is ook in onderhavig verzoek niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde tewerkstelling kan worden aangemerkt als een handeling of maatregel in de zin van de Wet. Hierbij wordt onder meer in aanmerking genomen dat uit de voorhanden gegevens naar voren komt dat appellant voor de werkzaamheden een (kleine) vergoeding ontving.
Van de overige genoemde gebeurtenissen is ook thans geen bevestiging verkregen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en het beroep van appellant ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.