ECLI:NL:CRVB:2007:BA1037

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3678 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUBO-toeslag wegens ontbreken blijvende invaliditeit na oorlogsgeweld

Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in 2005 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen omdat niet was vastgesteld dat appellant was getroffen door oorlogsgeweld. Na bezwaar erkende verweerster dat appellant internering had ondergaan in het kamp Pulau Brayan tijdens de Japanse bezetting, maar oordeelde dat dit niet had geleid tot blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit.

De Raad toetste of het besluit terecht was dat appellant geen blijvende invaliditeit had opgelopen als gevolg van het oorlogsgeweld. Uit het medisch advies van geneeskundig adviseur Koperberg en rapporten van behandelende artsen bleek dat appellant wel psychische klachten had, zoals vermijdingsgedrag, gerelateerd aan de oorlogservaringen, maar dat deze beperkingen te gering waren om van blijvende invaliditeit te spreken.

De Raad vond het besluit deugdelijk voorbereid en gemotiveerd en zag geen reden om te twijfelen aan de medische beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant geen blijvende invaliditeit heeft opgelopen door oorlogsgeweld.

Uitspraak

06/3678 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 12 mei 2006, kenmerk JZ/060/2006, genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Daar is appellant, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet. Appellant heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten (psychische klachten) die een gevolg zouden zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
Bij besluit van 3 november 2005 heeft verweerster de aanvraag afgewezen op grond van de overweging dat niet is komen vast te staan dat appellant is getroffen door oorlogs-geweld in de zin van de Wet. Na door appellant gemaakt bezwaar heeft verweerster de afwijzing bij het thans bestreden besluit gehandhaafd. Weliswaar heeft verweerster alsnog aanvaard dat appellant getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet, te weten internering in het kamp Pulau Brayan tijdens de Japanse bezetting, maar geoordeeld dat appellant als gevolg van die gebeurtenis geen lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
Gezien het gestelde in het beroepschrift ziet de Raad zich voor de vraag gesteld of verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er bij appellant als gevolg van de aanvaarde internering geen sprake is van psychische invaliditeit in de zin van de Wet.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur I.P.L. Koperberg, welk advies berust op een rapport van een bij appellant verricht medisch onderzoek door genoemde geneeskundig adviseur, alsmede op de van de appellant behandelende artsen ontvangen informatie.
Uit genoemd rapport komt naar voren dat er bij appellant sprake is van psychische klachten (vermijdingsgedrag) welke in verband staan met het ondergane oorlogsgeweld, maar tevens dat de met deze klachten gepaard gaande beperkingen zodanig gering zijn dat er niet gesproken kan worden van blijvende invaliditeit in de zin van de Wet.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van het medisch advies deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
In de gedingstukken van medische aard heeft de Raad geen aanknopingspunt kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt dat bij appellant geen sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend psychisch letsel ten gevolge van het oorlogsgeweld.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2007.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.