ECLI:NL:CRVB:2007:BA1039

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3541 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdig betalen griffierecht afgewezen

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar, maar betaalde het griffierecht van €105 niet binnen de gestelde termijn van vier weken na de aanmaning. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Appellant deed hiertegen verzet.

Tijdens de zitting van 16 februari 2007 was het UWV afwezig. De Raad heeft het verzet inhoudelijk beoordeeld en geen gronden gevonden om het verzuim van appellant niet tegen hem te kunnen aanvoeren. De gestelde financiële onmacht van appellant werd onvoldoende onderbouwd met stukken.

De Raad wees het verzet af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing bevestigt dat tijdige betaling van griffierecht essentieel is voor ontvankelijkheid van hoger beroep in bestuursrechtelijke zaken.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdige betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/3541 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 mei 2006, 06/204
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 9 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 13 oktober 2006 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op vrijdag 16 februari 2007, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 13 oktober 2006 berust hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22, aanhef en onder a, van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 105,-- niet binnen de bij de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 31 juli 2006 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In geding is het antwoord op de vraag of het hoger beroep van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak is gegeven.
In aansluiting op hetgeen in die uitspraak is overwogen, merkt de Raad op dat hij in hetgeen in het verzetschrift is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellant het verzuim niet kan worden tegengeworpen, reeds omdat de gestelde financiële onmacht van appellant - daargelaten of deze, zo aanwezig, tot gegrondverklaring van het verzet zou kunnen leiden - uit de stukken niet genoegzaam is kunnen blijken.
Van de zijde van appellant is op 16 februari 2007 een aantal stukken bij de Raad ingekomen. Er bestaat voor het indienen van nadere stukken gelegenheid tot uiterlijk tien dagen voor de zitting. Reden waarom deze stukken niet meer bij de behandeling van het geding zijn betrokken.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordig van J.J. Janssen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.J. Janssen.