ECLI:NL:CRVB:2007:BA1388

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-375 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 20 WAZArtikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WAZ-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid na 26 mei 1999

Appellant, voormalig zelfstandig metselaar, ontving vanaf 4 mei 1998 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering werd per 26 mei 1999 ingetrokken omdat het UWV oordeelde dat zijn arbeidsongeschiktheid sindsdien minder dan 25% bedroeg.

Appellant maakte bezwaar en stelde dat sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid na 26 mei 1999, en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet volledig en zorgvuldig was uitgevoerd. Hij voerde aan dat er geen Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) was opgesteld en dat er geen arbeidskundig onderzoek had plaatsgevonden.

De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek wel degelijk zorgvuldig was en voldoende informatie bevatte om het oordeel te baseren. Er was geen aanwijzing voor een toename van beperkingen na 26 mei 1999. Ook achtte de Raad een FML en arbeidskundig onderzoek niet noodzakelijk, mede gelet op artikel 20 van Pro de WAZ.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAZ-uitkering per 26 mei 1999 bevestigd.

Uitspraak

05/375 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 januari 2005, 04/923 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Krijnen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als zelfstandig metselaar, is in mei 1997 uitgevallen als gevolg van linker enkelklachten. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 4 mei 1998 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) verstrekt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 26 mei 1999 ingetrokken onder de overweging dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid ingaande deze datum minder dan 25% is.
Bij brief van 5 januari 2004 gericht aan het Uwv wordt namens appellant melding gemaakt dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid na 26 mei 1999 waarbij de precieze ingangsdatum niet kan worden aangegeven.
Naar aanleiding van deze melding heeft op 5 februari 2004 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2004 aan appellant meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid vanaf 26 mei 1999 minder dan 25% wordt geacht als gevolg waarvan aan appellant vanaf deze datum geen WAZ-uitkering wordt verstrekt.
Het namens appellant ingediende bezwaar tegen het primaire besluit is bij besluit van 9 juni 2004, hierna: het bestreden besluit, door het Uwv in zoverre gegrond verklaard dat er een onjuiste motivering aan het primaire besluit ten grondslag is gelegd die niet ziet op appellants aanvraag in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Voor het overige wordt het bezwaar ongegrond verklaard onder de overweging dat er, mede gelet op het bepaalde in artikel 20 van Pro de WAZ, geen sprake is van (een periode van) toegenomen arbeidsongeschiktheid na 26 mei 1999.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft gemachtigde van appellant de eerder aangevoerde grieven herhaald. Gemachtigde van appellant is van mening dat bij appellant sprake is van toegenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Voorts stelt hij dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet ziet op appellants aanvraag. Verder wordt aangevoerd dat ten onrechte geen Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld en geen arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden zodat als gevolg hiervan sprake is van een onzorgvuldig en incompleet onderzoek naar de mate van arbeids(on)geschiktheid van appellant.
De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat sprake is van een zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant om tot een verantwoord oordeel te komen. De door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven conclusie dat geen sprake is van (een periode van) toegenomen beperkingen zoals door verzekeringsarts Lemlijn-Slenter in haar rapportage van 5 februari 2004 is verwoord is gebaseerd op dossieronderzoek, eigen onderzoek van appellant alsmede op door haar ingewonnen informatie van appellants huisarts. Uit deze informatie, noch uit de namens appellant in hoger beroep bij brief van 22 september 2005 verstrekte informatie, valt naar het oordeel van de Raad, een (periode van) toename van beperkingen af te leiden. Hieraan voegt de Raad nog toe dat hij, evenals de rechtbank, van oordeel is dat de rapportage van 5 februari 2004 in voldoende mate ervan blijk geeft dat het onderzoek ziet op de aanvraag in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de brief van 5 januari 2004.
Nu uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar voren is gekomen dat er ten aanzien van appellant na 26 mei 1999 geen periode van toegenomen beperkingen voor het verrichten van arbeid kan worden aangewezen ziet de Raad geen aanleiding voor het opstellen van een FML. De Raad is voorts van oordeel dat, mede in het licht van artikel 20 van Pro de WAZ, evenmin wordt toegekomen aan een arbeidskundig onderzoek zodat het Uwv in onderhavig geval op juiste gronden heeft kunnen volstaan met een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.