ECLI:NL:CRVB:2007:BA1446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing aanvraag korting en vrijstelling basispremie WAO wegens onjuiste rechtsgrond
Betrokkene diende op 5 augustus 2005 een aanvraag in voor korting en vrijstelling op de basispremie WAO over 1998. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) wees deze aanvraag af op grond van artikel 13, derde lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Dit besluit werd gehandhaafd bij bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de aanvraag binnen de termijn van artikel 13, derde lid, CSV was ingediend vanwege een correctienota uit 2001.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat artikel 13, derde lid, CSV geen zelfstandige betekenis heeft en slechts de verjaring van de rechtsvordering tot terugbetaling regelt. Omdat er geen besluit is genomen waaruit blijkt dat betrokkene onverschuldigd premie heeft betaald, is het bestreden besluit onjuist gebaseerd op deze bepaling. De Raad bevestigt dat de termijn voor premievaststelling vijf jaar is en dat de aanvraag van betrokkene over 1998 na 1 januari 2004 niet meer in behandeling kan worden genomen.
Het door het UWV gevoerde buitenwettelijk begunstigend beleid, waarbij aanvragen binnen vijf jaar na afrekeningnota in behandeling worden genomen, wordt door de Raad als gegeven aanvaard en slechts terughoudend getoetst. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, behoudens de proceskostenveroordeling en griffierechtvergoeding, en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard, met inachtneming dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.