ECLI:NL:CRVB:2007:BA1614

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6319 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wachtgeldaanspraak wegens civielrechtelijke grondslag

Appellant was van 1980 tot 1990 ambtenaar bij een gemeenschappelijke regeling en daarna in dienst van een stichting op basis van een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst waarin een wachtgeldaanspraak was opgenomen. Na beëindiging van zijn dienstverband bij de stichting vroeg appellant bij de gemeente Utrecht om wachtgeld. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het zich niet bevoegd achtte over de wachtgeldaanspraak te beslissen, aangezien deze voortvloeit uit de civielrechtelijke arbeidsovereenkomst.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad overweegt dat er geen rechtstreekse publiekrechtelijke relatie bestaat tussen appellant en de gemeente Utrecht met betrekking tot de wachtgeldaanspraak. De arbeidsovereenkomst met de stichting bevat de enige relevante bepaling en de garantieverlening door de gemeente vormt geen publiekrechtelijke aanspraak. De stelling van appellant dat de stichting als betaalloket voor de gemeente fungeert, wordt niet onderbouwd.

De Raad ziet geen grond voor vergoeding van proceskosten en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 15 maart 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college niet bevoegd is om te beslissen over de wachtgeldaanspraak en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

05/6319 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 september 2005, 05/864 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: college)
Datum uitspraak: 15 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. G.F. Kortooms, werkzaam bij de KNTV-vakorganisatie voor musici. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L. Heslenfeld, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Van 1980 tot 1 januari 1990 is appellant krachtens aanstelling werkzaam geweest als [leraar] aan de [naam school], ressorterend onder een gemeen-schappelijke regeling van de gemeenten Maarssen en Vleuten-De Meern. Met ingang van 1 januari 1990 is appellant, na privatisering van de muziekschool, krachtens arbeids-overeenkomst naar burgerlijk recht werkzaam geweest bij de Stichting [naam stichting] (hierna: SKV). Onderdeel van die arbeidsovereenkomst is de bepaling dat “voortvloeiend uit de rechtspositie van personeel in dienst van de gemeente Maarssen” op appellant van toepassing is: “Wachtgeldaanspraak t/m 31 december 1989 bedraagt 4,09 jaar”.
1.2. Blijkens de gedingstukken hebben burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Vleuten-De Meern aan de SKV de garantie gegeven van subsidie van eventuele wachtgeldaanspraken van personeelsleden die vóór 1 januari 1990 in dienst waren van de muziekschool. Na opheffing van de gemeente Vleuten-De Meern is deze subsidiever-plichting overgegaan op de gemeente Utrecht.
1.3. Met ingang van 1 augustus 2004 is de dienstbetrekking van appellant met de SKV beëindigd. Naar aanleiding daarvan heeft appellant bij de gemeente Utrecht om wachtgeld verzocht. Op dat verzoek is - in termen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - niet tijdig beslist en het bezwaar daartegen is bij bestreden besluit van 3 maart 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Het college achtte zich namelijk niet bevoegd een beslissing te nemen omdat zijns inziens de wachtgeldaanspraak ontleend moet worden aan de civielrechtelijke arbeidsovereenkomst.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het standpunt van het college juist geacht en zij heeft daarom het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen overweegt de Raad dat hij de zienswijze van het college en van de rechtbank deelt dat tussen de gemeente Utrecht (als rechtsopvolger van de gemeente Vleuten-De Meern) en appellant geen enkele rechtstreekse relatie bestaat met betrekking tot de wachtgeldpositie van appellant. Over die positie bevat slechts de onder 1.1. genoemde arbeidsovereenkomst met de SKV een bepaling. Die maakt niet dat sprake is van een publiekrechtelijk geregelde wachtgeld-aanspraak. Dit laatste vloeit evenmin voort uit de onder 1.2. vermelde garantieverlening. De Raad vindt in de stukken geen aanknopingspunten voor het standpunt van appellant dat de SKV moet worden beschouwd als een ‘betaalloket’ voor de gemeente.
4. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) R.A. Huizer.