ECLI:NL:CRVB:2007:BA1806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5555 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 CAO-VOArt. 20 BZAArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens ziekte en herplaatsingsverplichting binnen het openbaar onderwijs

Appellant, een docent lichamelijke opvoeding, werd ontslagen wegens langdurige ziekte op grond van artikel 4.3 van de CAO-VO. Na bezwaar handhaafde de bestuurscommissie het ontslagbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de bestuurscommissie voldoende had geprobeerd appellant te herplaatsen.

Appellant stelde dat de bestuurscommissie onvoldoende had onderzocht of herplaatsing mogelijk was, onder meer in een te creëren functie van maatschappelijke begeleider of in administratieve functies. De bestuurscommissie wees dit af vanwege organisatorische bezwaren en salarisverschillen.

De Raad oordeelde dat het ontslag slechts kan worden verleend indien geen reële herplaatsingsmogelijkheden bestaan. De bestuurscommissie had onvoldoende onderzoek gedaan naar acht vacatures binnen haar gezagsbereik, waardoor het ontslagbesluit niet bevoegd was genomen.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het ontslagbesluit en veroordeelt de bestuurscommissie tot vergoeding van proceskosten. Tevens bepaalt de Raad dat een nieuw onderzoek naar herplaatsing moet plaatsvinden over een periode van minimaal zes maanden.

Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt herroepen wegens onvoldoende herplaatsingsonderzoek en de bestuurscommissie wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

05/5555 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 juli 2005, 04/1229 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs Almere (hierna: bestuurscommissie)
Datum uitspraak: 15 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. E. uit de Fles, advocaat te Almere. De bestuurscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, docent lichamelijke opvoeding, heeft zich op 3 september 2001 ziek- gemeld. De daartoe aangewezen arts van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft op 3 oktober 2003 een zogeheten functieongeschiktheidsadvies uitgebracht: appellant is op de voorgenomen ontslagdatum 2 jaar arbeidsongeschikt voor zijn functie en zal dat naar verwachting ook nog zijn 6 maanden na die datum.
1.2. De bestuurscommissie heeft appellant bij besluit van 2 februari 2004 op grond van artikel 4.3., aanhef en onder f, van de Collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs (CAO-VO) met ingang van 15 februari 2004 ontslag verleend wegens het geraken in een toestand van ongeschiktheid tengevolge van lichamelijke of psychische oorzaken. Na bezwaar is dit ontslag gehandhaafd bij het bestreden besluit van 30 augustus 2004.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In het bijzonder heeft zij de grief van appellant verworpen dat de bestuurscommissie zich onvoldoende heeft ingespannen om appellant te herplaatsen binnen haar gezagsbereik. De rechtbank zag die inspanningsverplichting niet zo ver gaan dat de bestuurscommissie gehouden was een nieuwe functie boven de formatie te creëren. Verder is de Rechtbank van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat er ook overigens geen geschikte functies voor appellant voorhanden waren.
3. Appellant heeft betwist dat de bestuurscommissie voldoende inspanningen heeft verricht om hem te herplaatsen. Opnieuw heeft hij gesteld dat hem de - te creëren - functie van maatschappelijke begeleider kan worden gegeven. Voorts heeft hij gewezen op administratieve en andere ondersteunende functies bij de bestuurscommissie. Hij heeft aangegeven dat de rechtbank daarop niet heeft willen ingaan.
4. De bestuurscommissie heeft gemotiveerd uiteengezet dat niet van haar gevergd kan worden dat zij voor appellant de functie creëert van maatschappelijk begeleider. Verder heeft zij aangegeven dat in de categorie onderwijsondersteunend personeel voor appellant geen passende functies aanwezig zijn vanwege met name het grote verschil in salariëring tussen deze functies en die van appellant. Naar haar oordeel komen voor appellant slechts functies vanaf schaal 8 in aanmerking die geen specifieke opleiding of ervaring vereisen.
5. De Raad overweegt naar aanleiding daarvan als volgt.
5.1. Het in artikel 4.3., aanhef en onder f, van de CAO-VO bedoelde ontslag kan worden verleend met inachtneming van de bepalingen van het Besluit ziekte en arbeidsonge-schiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs en educatie en beroepsonderwijs (hierna: BZA). In artikel 20, tweede lid, van het BZA is onder meer bepaald dat ontslag kan worden verleend mits er bij het bevoegd gezag voor betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn. Ingevolge het zevende lid van artikel 20, zoals dat luidde ten tijde hier in geding, dient het bevoegd gezag eerst te onderzoeken of de mogelijkheid bestaat van herplaatsing in een functie met passende arbeid en daarna, indien die mogelijkheid zich niet voordoet maar niet eerder dan na afloop van het eerste ziektejaar, in een functie met gangbare arbeid.
5.2. Nadat aanvankelijk in overleg met appellant, maar tevergeefs, was geprobeerd hem te herplaatsen buiten het onderwijs, heeft appellant zich op 9 september 2003, nadat het eerste ziektejaar was verstreken, tot de bestuurscommissie gewend en opgemerkt dat reintegratie in een andere functie bij de eigen werkgever nog de enige reële optie is. Hij heeft daarbij in overweging gegeven dat zijn kwalificatie voor maatschappelijk begeleiden aanleiding kan zijn voor een functie in het onderwijs.
5.3. De Raad volgt de Rechtbank en de bestuurscommissie in hun oordeel dat het te ver zou gaan van de bestuurscommissie te vergen dat zij voor appellant de functie zou creëren van maatschappelijk begeleider. Zoals de bestuurscommissie heeft uiteengezet zou dan onder meer sprake zijn van het weghalen van niet-lesgebonden taken van de docenten. Voor de organisatie van het onderwijs, voor de formatie en voor de positie van alle docenten zou dit onwenselijke gevolgen hebben.
5.4. Anders dan de Rechtbank kan de Raad de bestuurscommissie niet volgen in haar standpunt dat zij voldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van herplaatsing van appellant in een functie met gangbare arbeid. Uit het door de bestuurs-commissie overgelegde vacatureoverzicht blijkt dat zich vanaf september 2003 acht vacatures hebben voorgedaan bij instellingen die vallen onder het gezagsbereik van de bestuurscommissie, variërend van schaal 4 tot en met 8. Omdat enig onderzoek naar de mogelijkheid van herplaatsing in één van die functies ten onrechte achterwege is gebleven, was de bestuurscommissie niet bevoegd om appellant ontslag te verlenen.
6. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, evenals het bestreden besluit. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het primaire besluit van 2 februari 2004 herroepen. Hij merkt op dat een mogelijk door de bestuurscommissie in te stellen nieuw onderzoek naar de mogelijkheid om appellant binnen haar gezagsbereik te herplaatsen, zich ten minste zal moeten uitstrekken over een nieuwe periode van 6 maanden.
7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de bestuurscommissie op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand, derhalve in totaal
€ 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2004 gegrond en vernietigt dit besluit;
Herroept het besluit van 2 februari 2004;
Veroordeelt de bestuurscommissie in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de gemeente Almere;
Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) R.A. Huizer.