ECLI:NL:CRVB:2007:BA1869

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6418 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 AwbBesluit sollicitatieplicht werknemers WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten

Appellant, een timmerman die een WW-uitkering ontvangt, kreeg een korting van 20% op zijn uitkering voor een periode van 16 weken omdat hij onvoldoende had gesolliciteerd tussen 16 juli en 15 augustus 2004. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant niet voldeed aan de sollicitatieplicht zoals neergelegd in artikel 24 van Pro de WW en het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW. Hoewel appellant aanvoerde dat bouwbedrijven gesloten waren vanwege vakantie en hij telefonisch contact had opgenomen met een uitzendbureau, volstond dit niet als voldoende sollicitatieactiviteiten. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat appellant meer had kunnen doen, zoals open sollicitatiebrieven sturen of zich inschrijven bij andere uitzendbureaus.

De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter T. Hoogenboom op 28 februari 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten.

Uitspraak

05/6418 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 20 september 2005, 04/1393 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.
2.1. Aan appellant, die als timmerman in de bouw werkzaam was, is met ingang van
10 november 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend.
2.2. Bij besluit van 18 augustus 2004 is die uitkering met ingang van 16 augustus 2004 gedurende 16 weken met 20% gekort, omdat hij in de periode van 16 juli 2004 tot en met 15 augustus 2004 in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 20 oktober 2004. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant de verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder ten eerste, van de WW niet is nagekomen. Ingevolge deze bepaling dient de werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. Ingevolge het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW, zoals dat met ingang van 1 augustus 2003 wordt toegepast, dient een werkloze werknemer per beoordelingsperiode van vier weken tenminste vier concrete sollicitatieactiviteiten te verrichten. Appellant heeft in de desbetreffende periode slechts één concrete sollicitatieactiviteit verricht. Hij heeft naar voren gebracht dat in die periode de bouwbedrijven, op welke sector hij aangewezen was voor het vinden van een baan, wegens vakantie gesloten waren. Wel heeft hij telefonisch bij een uitzendbureau geïnformeerd en kranten en vacaturebanken geraadpleegd.
4.2. De rechtbank daarover het volgende overwogen:
“Het op 21 juli 2004 telefonisch informeren bij Maintec Uitzendbureau te Zwolle naar werk kan niet gelden als sollicitatieactiviteit, omdat eiser reeds ingeschreven stond bij dit bureau. Dat eiser in het telefoongesprek heeft laten weten weer beschikbaar te zijn voor werk maakt dat niet anders. Op grond van het feit dat hij daar nog altijd ingeschreven stond, mocht het uitzendbureau daar immers reeds vanuit gaan. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eisers gemachtigde dat eiser zeer actief solliciteert en vacatures in kranten, vacaturebanken en vacatures bij uitzendbureau's zorgvuldig beoordeelt nu het werkbriefje hiervan geen blijk geeft, nog daargelaten of deze gestelde activiteiten betrekking hebben op de periode in geding. Voorts vermag de rechtbank niet in te zien dat eiser in de periode in geding geen andere sollicitatieactiviteiten heeft kunnen verrichten. De (enkele) omstandigheid dat veel bouwbedrijven tijdens de bouwvakvakantie gesloten zijn, ontslaat eiser niet van zijn sollicitatieplicht. Zo had hij, nadat hij tevergeefs telefonisch contact had opgenomen met een aantal bouwbedrijven of éénzelfde bouwbedrijf, het werkbriefje geeft hierover geen uitsluitsel, open sollicitatiebrieven kunnen sturen naar deze bouwbedrijven of dit bouwbedrijf. Ook had hij open sollicitatiebrieven kunnen sturen naar bedrijven in andere sectoren. Daarnaast had hij zich bij andere uitzendbureau's, geopend gedurende de bouwvakvakantie, kunnen laten inschrijven. De slechte arbeidsmarktpositie -zoals namens eiser is gesteld- ontslaat eiser evenmin van zijn sollicitatieplicht. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat eiser zijn sollicitatieactiviteiten (ook) niet op andere sectoren heeft kunnen richten.”
4.3. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank. Op grond van deze overwegingen heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit stand gelaten.
4.4. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging aanmerking.
5. De Raad heeft geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van de M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.D.F. de Moor.