AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan weken-eis
Appellante was tussen 2000 en 2003 werkzaam bij twee hotels en viel op 31 juli 2002 uit wegens medische klachten. Na afloop van haar contract in juni 2003 was zij 52 weken arbeidsongeschikt. Het UWV oordeelde dat zij vanaf 30 juli 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt was en weigerde een WAO-uitkering. Appellante vroeg vervolgens per 29 maart 2004 een WW-uitkering aan.
Het UWV wees de aanvraag af omdat zij niet voldeed aan de weken-eis: in de 39 weken voorafgaand aan haar werkloosheid had zij niet in ten minste 26 weken arbeid verricht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Appellante stelde dat zij gedurende de referteperiode arbeidsongeschikt was, maar kon dit niet aannemelijk maken.
Hoewel zij medische klachten en medicatie aantoonde, leidde dit volgens de Raad niet tot het bewijs dat zij geheel niet kon werken in de relevante periode. De Raad concludeert dat de weken-eis terecht is toegepast en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens het niet voldoen aan de weken-eis.
Uitspraak
06/3302 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 april 2006, 05/3021 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.
2.1. Appellante is tussen 6 juni 2000 en 6 juni 2002 werkzaam geweest bij Hotel [naam hotel 1]. Vanaf 6 juni 2002 had zij een dienstbetrekking bij Hotel [naam hotel 2], vanuit welke positie zij op 31 juli 2002 is uitgevallen wegens medische klachten. Het jaarcontract van appellante, dat afliep op 6 juni 2003, werd niet verlengd. Op 31 juli 2003 was appellante 52 weken arbeidsongeschikt. Het Uwv heeft haar bij besluit van l december 2003 meegedeeld dat zij vanaf 30 juli 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt moest worden geacht en dat zij daarom niet in aanmerking kwam voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Stellende dat zij per 18 februari 2004 weer arbeidsgeschikt was en beschikbaar voor werk, heeft appellante op 29 maart 2004 een WW-uitkering aangevraagd.
2.2. Bij besluit van 7 april 2004 heeft het Uwv bepaald dat appellante geen recht heeft op WW-uitkering omdat ze niet voldoet aan de zogenoemde wekeneis. Zij heeft in de periode van 21 mei 2003 tot 18 februari 2004 in onvoldoende weken arbeid verricht. Bij het bestreden besluit van 15 juli 2004 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 april 2004 ongegrond verklaard. In het bestreden besluit is toepassing gegeven aan de artikelen 17, aanhef en onder a, en 17a, eerste lid, onder a, van de WW. Ingevolge deze bepalingen ontstaat het recht op uitkering voor de werknemer indien hij in de 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Voor de vaststelling van het aantal van 39 weken worden niet aanmerking genomen weken gedurende welke de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellante in hoofdzaak dezelfde gronden naar voren gebracht als zij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij stelt zich op het standpunt dat zij, uitgaande van de datum 18 februari 2004, in de periode van 31 juli 2002 tot 18 februari 2004 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Het Uwv heeft daar tegen aangevoerd dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de weken tussen 31 juli 2003 en 18 februari 2004 wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten.
5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
5.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat als eerste werkloosheidsdag heeft te gelden 18 februari 2004, alsmede dat appellante in de 39 weken direct voorafgaande aan deze datum niet in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.
5.2. De rechtbank heeft terecht appellantes stelling verworpen dat de referteperiode van 39 weken moet worden verlengd met de weken tussen 31 juli 2003 en 18 februari 2004, omdat zij gedurende de gehele door haar bedoelde periode, naar zij heeft gesteld, arbeidsongeschikt is geweest. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in die periode wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat is geweest te werken. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen.
5.3. In hoger beroep heeft appellante nog aangevoerd dat zij in de door haar bedoelde periode lichamelijk ontzettend moe was, rare lichamelijke verschijnselen had, geestelijk niet stabiel was en ook moe was van de brieven van het Uwv en van te veel afspraken. Verder heeft zij een journaal ingezonden van de hand van haar huisarts M. van den Berg, waaruit is op te maken dat zij in die periode medicijnen voorgeschreven heeft gekregen, waaronder kalmerende- en slaapmiddelen en waaruit eveneens naar voren komt dat zij verwezen is naar een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Hieromtrent overweegt de Raad dat uit dit stuk en hetgeen appellante overigens daarover heeft aangevoerd wel is af te leiden dat zij in wisselende mate medisch is gezien maar niet dat zij in de bedoelde periode wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid in het geheel geen arbeid kon verrichten.
5.4. De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007.