ECLI:NL:CRVB:2007:BA1934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gedifferentieerde WAO-premie en toepassing bezwaarprocedure
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen die de bezwaren van een vennootschap tegen de vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde.
De vennootschap had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de premie voor de jaren 2004 en 2005, stellende dat er fouten waren gemaakt bij de berekening en dat sommige WAO-uitkeringen niet in verhouding stonden tot het oorspronkelijke salaris. Zij verzocht inzage in de WAO-dossiers om haar bezwaar nader te onderbouwen.
De rechtbank oordeelde dat de appellant onvoldoende inzicht had gegeven in de grondslag van de uitbetaalde uitkeringen en dat de toepassing van artikel 87e van de WAO niet volstond om de bezwaren af te wijzen.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat artikel 87e van de WAO terecht is toegepast omdat de bezwaren feitelijk gericht waren op de toekenning en hoogte van de uitkeringen, hetgeen niet relevant is voor de premieberekening. Tevens oordeelt de Raad dat de vennootschap haar gronden in een andere procedure moet aanvoeren. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vennootschap ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.