ECLI:NL:CRVB:2007:BA1934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3139 WAO + 06-3140 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 78 WAOArt. 87e WAOArt. 4 Besluit premiedifferentiatie WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling gedifferentieerde WAO-premie en toepassing bezwaarprocedure

De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen die de bezwaren van een vennootschap tegen de vastgestelde gedifferentieerde WAO-premie gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde.

De vennootschap had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de premie voor de jaren 2004 en 2005, stellende dat er fouten waren gemaakt bij de berekening en dat sommige WAO-uitkeringen niet in verhouding stonden tot het oorspronkelijke salaris. Zij verzocht inzage in de WAO-dossiers om haar bezwaar nader te onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de appellant onvoldoende inzicht had gegeven in de grondslag van de uitbetaalde uitkeringen en dat de toepassing van artikel 87e van de WAO niet volstond om de bezwaren af te wijzen.

De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat artikel 87e van de WAO terecht is toegepast omdat de bezwaren feitelijk gericht waren op de toekenning en hoogte van de uitkeringen, hetgeen niet relevant is voor de premieberekening. Tevens oordeelt de Raad dat de vennootschap haar gronden in een andere procedure moet aanvoeren. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vennootschap ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de vennootschap wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

06/3139 WAO
06/3140 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 13 april 2006, 05/516 en 05/1184 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[de besloten vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: vennootschap)
en
appellant.
Datum uitspraak: 15 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De vennootschap heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007. Partijen zijn ambtshalve opgeroepen om bij gemachtigde ter zitting te verschijnen. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens de vennootschap is verschenen drs. J. Baas, werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Belastingadviseurs N.V.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 15 december 2003 heeft appellant de door de vennootschap voor het premiejaar 2004 verschuldigde gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) vastgesteld op (het rekenpercentage ad) 3,76%. Bij besluit van 6 december 2004 heeft appellant deze premie voor het premiejaar 2005 vastgesteld op (het rekenpercentage ad) 3,13%.
De daartegen gerichte bezwaren zijn bij besluiten van 5 augustus 2005 en 28 april 2005 ongegrond verklaard, waarbij appellant toepassing heeft gegeven aan artikel 87e van de WAO.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen de besluiten van 5 augustus 2005 en 28 april 2005 ingestelde beroepen - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant de bezwaren niet met een simpele verwijzing naar artikel 87e van de WAO heeft kunnen afwijzen nu de in de bezwaren aangevoerde gronden niet zo kunnen worden uitgelegd dat deze enkel en alleen zijn gericht tegen de toekenning van en de hoogte van de toegekende uitkeringen. De rechtbank is voorts van oordeel dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft in de grondslag van de feitelijk aan werknemers uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Appellant dient bij het nemen van een nieuw besluit dit inzicht alsnog te verschaffen. Ook dient appellant zich bij de toepassing van artikel 87e van de WAO uit te laten over de omstandigheid dat de vennootschap stelt van diverse WAO-besluiten niet in kennis te zijn gesteld.
Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspaak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor de bepaling van de hoogte van de gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de WAO dient, gelet op artikel 4, tweede lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: Besluit), te worden uitgegaan van het totaalbedrag van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dat in het tweede kalenderjaar vóór het premiejaar feitelijk aan werknemers is uitbetaald.
In artikel 87e van de WAO is onder meer bepaald dat het bezwaar van een werkgever tegen de in artikel 78, derde of vierde lid van de WAO, bedoelde opslag of korting niet kan zijn gegrond op de grief, dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
In de bezwaarschriften tegen de besluiten van 15 december 2003 en 6 december 2004 heeft de vennootschap gesteld dat er fouten zijn gemaakt bij de berekening van de WAO-premie en dat met name een aantal personen een WAO-uitkering ontvangt die in geen verhouding staat tot het oorspronkelijk salaris bij PPG. Om die reden heeft zij appellant verzocht om inzage te verlenen in de WAO-dossiers van de werknemers waarvan de WAO-uitkeringen zijn meegenomen bij de berekening van de gedifferentieerde premies, waarbij meer specifiek is verzocht om informatie over de toekenning en de hoogte van de uitkeringen en de arbeidsongeschiktheidspercentages. De vennootschap zou afhankelijk van de uit deze dossiers verkregen informatie haar bezwaargronden (nader) formuleren. Nu een en ander betrekking heeft op de aan de werknemers toegekende WAO-rechten, die voor de premieberekening als bedoeld in artikel 4, tweede lid van het Besluit niet relevant zijn, kon appellant de gronden van het bezwaar niet anders opvatten dan als te zijn gericht tegen de toekenning dan wel de hoogte van de toegekende WAO-uitkeringen. Gelet hierop heeft appellant terecht toepassing gegeven aan artikel 87e van de WAO. Voorts merkt de Raad op dat bij de berekening van gediffentieerde premie uitsluitend rekening wordt gehouden met het feitelijk aan werknemers uitbetaalde bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De vraag of dit bedrag correspondeert met de toegekende WAO-rechten, speelt bij de premieberekening geen rol.
Ook de grief van de vennootschap dat diverse WAO-besluiten niet aan haar bekend zijn gemaakt, dient in het kader van een procedure over die besluiten aan de orde te worden gesteld. Of aanleiding bestaat om de vennootschap ondanks een overschrijding van de termijn in haar bezwaar te ontvangen dient eveneens in die procedure te worden beoordeeld.
Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het beroep ongegrond moet worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar 15 maart 2007.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) D. Olthof.
RB1203