ECLI:NL:CRVB:2007:BA1973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAJONG-uitkering met in stand laten rechtsgevolgen
Appellante had bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar per 4 januari 2001 een WAJONG-uitkering toe te kennen. De rechtbank Assen verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank grotendeels onderschreven. Appellante stelde dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat zij door chronische vermoeidheidsklachten niet tot enige loonvormende arbeid in staat was, maar zij onderbouwde dit niet met voldoende medische gegevens.
De Raad vond de medische brieven onvoldoende en zag geen aanleiding een onafhankelijke deskundige te raadplegen. De arbeidskundige rapportage toonde aan dat ondanks het wegvallen van één functie nog voldoende passende functies beschikbaar waren waarmee appellante het wettelijk minimumloon kon verdienen. Het UWV bevestigde dat deze functies op de datum in geding actueel waren.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand conform artikel 8:72 lid 3 Awb Pro. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante, in totaal € 966,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 103,-.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.