ECLI:NL:CRVB:2007:BA2085

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-863 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering wegens niet tijdig arbeidsongeschikt

Appellant, geboren in 1960 en bekend met schizofrenie, vroeg via zijn moeder een Wajong-uitkering aan. Het UWV wees deze af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden dat hij arbeidsongeschikt was op zijn 17e en niet minimaal zes maanden studeerde in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid.

De verzekeringsarts stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vast op 1 maart 1982, mede gebaseerd op verklaringen dat het leven van appellant tot en met zijn militaire dienst normaal verliep. Appellant bracht een medische verklaring in van zijn huisarts, maar deze ondersteunde niet dat hij eerder arbeidsongeschikt was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit. De Raad oordeelde dat appellant pas na zijn militaire dienst gedecompenseerd raakte en dat het late tijdstip van aanvraag (25 jaar na de gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag) voor risico van appellant komt. Het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.

Uitspraak

05/863 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 januari 2005, 04/1483 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij schrijven van 21 juli 2005 een medische verklaring in geding gebracht, waarop door het Uwv bij schrijven van 28 juli 2005 is gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellant heeft zich bij die gelegenheid laten vertegenwoordigen door mr. Soebhag voornoemd. Het Uwv is, met berichtgeving, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die [in] 1960 is geboren en bekend is met schizofrenie, is onder curatele gesteld van zijn moeder
T.M.J.A. K.
De moeder van appellant heeft op 29 juli 2003 namens appellant een aanvraag ingediend om een uitkering een ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op deze aanvraag is door het Uwv bij besluit van
28 oktober 2003, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 april 2004 (hierna: het bestreden besluit), afwijzend beslist omdat appellant naar het oordeel van het Uwv niet kon worden aangemerkt als jonggehandicapte in de zin van de Wajong. Appellant voldeed niet aan de voorwaarde dat hij arbeidsongeschikt was op de dag waarop hij de leeftijd van 17 jaar bereikte noch aan de voorwaarde dat hij in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Het Uwv heeft hiertoe overwogen dat uit de rapportage van 18 augustus 2003 van verzekeringsarts C. Nieuwenhuizen weliswaar blijkt dat appellant beperkingen ondervindt ten gevolge van schizofrenie, maar dat deze beperkingen arbitrair per
1 maart 1982 gelden. De verzekeringsarts vond hiervoor steun in de door appellant en zijn moeder (tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek) afgelegde verklaring dat het leven van appellant tot en met zijn militaire dienst (die geduurd heeft van 2 september 1980 tot en met 30 oktober 1981) min of meer normaal was verlopen. Het Uwv is voorts niet gebleken dat appellant in de periode van 1 maart 1981 tot en met 28 februari 1982 studerende is geweest.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat er bij appellant voor zijn 17-jarige leeftijd ook belemmeringen zijn geweest en dat de door de verzekeringsarts vastgestelde peildatum van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair is. De verzekeringsarts had gelet op deze arbitraire vaststelling aanleiding moeten zien om medische informatie in te winnen. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij reeds arbeidsongeschikt was op de peildatum 1 maart 1982 verwezen naar een op 13 april 2004 gedateerde verklaring van zijn huisarts J.P. Veuger.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad heeft in hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gezien om het bestreden besluit onjuist te achten.
De Raad is niet gebleken dat appellant eerder dan 1 maart 1982 of op 3 maart 1977 arbeidsongeschikt is geworden. De Raad overweegt hiertoe dat hem uit hetgeen de moeder van appellant tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 18 augustus 2003, ter hoorzitting en ter zitting van de rechtbank verklaard heeft, aannemelijk geworden is dat appellant pas (enige tijd) na zijn militaire dienst, die op 30 oktober 1981 eindigde, gedecompenseerd is. De Raad ziet gelet op de bestendigheid van deze verklaringen geen aanleiding waarde toe te kennen aan de tevens ter zitting van de rechtbank door de moeder gedane verklaring dat appellant kort na zijn komst vanuit Suriname naar Nederland ziek geworden is.
De Raad is evenmin uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van appellants huisarts Veuger gebleken dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag door het Uwv onjuist zou zijn vastgesteld. Blijkens deze verklaring, waarin verwezen wordt naar een op 14 november 1983 gedateerd bericht in het archief van de huisarts, is appellant na een tentamen suïcide in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen en had hij bij ontslag uit het ziekenhuis een verwarde gedachtegang en paranoïde wanen. Uit de inhoud van dit bericht volgt naar het oordeel van de Raad niet dat appellant reeds op 17-jarige leeftijd arbeidsongeschikt was of op enig ander moment voor 1 maart 1982.
De Raad merkt in dit verband op dat namens appellant eerst 25 jaar na de door hem gestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag een Wajong-uitkering is aangevraagd zodat eventuele onduidelijkheid hierover gelet op het ruime tijdsverloop voor risico van appellant dient te komen. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad ook geen verklaring kunnen geven waarom eerst na 25 jaar een Wajong uitkering is aangevraagd.
De Raad overweegt tot slot dat hem ook niet gebleken is dat appellant in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden (1 maart 1981 tot en met 28 februari 1982) gedurende ten minste zes maanden studerende is geweest.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffer, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C.D.A. Bos.