ECLI:NL:CRVB:2007:BA2152

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5063 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over herziening WAO-uitkering wegens onjuiste medische grondslag

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het besluit tot herziening van een WAO-uitkering niet in stand hield. Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar uitkering waarbij haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 15% tot 25%.

De rechtbank oordeelde dat het besluit berustte op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag, omdat de verzekeringsarts de beperkingen niet correct in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) had verwerkt. In hoger beroep werd dit oordeel bestreden door de bezwaarverzekeringsarts, die stelde dat de rechtbank de medische gegevens verkeerd had geïnterpreteerd.

De Raad benoemde een onafhankelijke orthopedisch chirurg als deskundige, die na onderzoek concludeerde dat de FML en de geselecteerde functies passend waren en betrokkene in staat achtte te werken in die functies. De Raad hechtte aan dit deskundigenoordeel doorslaggevende waarde en vond geen reden het bestreden besluit onrechtmatig te achten.

Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van aanvullende bestuursrechtelijke bepalingen zoals artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

04/5063 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2004, 04/295 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 3 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een rapport van 13 september 2004 van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek overgelegd.
Namens betrokkene heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 1 december 2004 heeft appellant een reactie van 29 november 2004 van de bezwaarverzekeringsarts Koek op het verweerschrift ingezonden.
De Raad heeft bij brief van 16 augustus 2006 de orthopedisch chirurg dr. F.P. Bernoski als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.
De orthopedisch chirurg Bernoski heeft onder dagtekening 24 november 2006 van dat onderzoek verslag uitgebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, zoals tevoren was bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 6 januari 2004, verder: het bestreden besluit, heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van betrokkene tegen een besluit van 26 augustus 2003, waarbij de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van betrokkene met ingang van 7 oktober 2003 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15% tot 25%.
De rechtbank heeft het bestreden besluit niet in stand gelaten. De rechtbank is, kort gezegd, van oordeel dat het bestreden besluit op een onjuiste medische en arbeidskundige grondslag berust. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts de beperkingen die hij heeft neergelegd in zijn rapportage niet op een juiste wijze in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft verwerkt en dat de geselecteerde functies niet voldoen aan de beperkingen, zoals die in die rapportage zijn neergelegd.
In hoger beroep is de juistheid van dit oordeel van de rechtbank bestreden. Daarbij is onder meer door de bezwaarverzekeringsarts Koek uiteengezet dat de rechtbank de medische gegevens onjuist heeft geïnterpreteerd en bij haar oordeelsvorming op de stoel van de verzekeringsarts en de curatieve sector is gaan zitten.
De Raad moet de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht het bestreden besluit niet in stand heeft gelaten.
De door de Raad ingeschakelde deskundige Bernoski heeft na onderzoek van betrokkene op vragen van de Raad geantwoord dat hij, uitgaande van de datum in geding, 7 oktober 2003, zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts opgestelde FML en dat hij betrokkene in staat acht te werken in de voor haar geselecteerde functies.
De Raad ziet geen aanleiding aan dit oordeel van zijn deskundige, waarvan de juistheid door partijen niet is bestreden, geen doorslaggevende betekenis toe te kennen.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen en het inleidend beroep van betrokkene ongegrond verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007.
(get) K.J.S. Spaas.
(get) M. Gunter.