ECLI:NL:CRVB:2007:BA2156

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-437 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante ging in hoger beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, omdat zij volgens het UWV niet langer arbeidsongeschikt was voor ten minste 15%.

De rechtbank had het besluit van het UWV bevestigd, waarbij zij oordeelde dat appellante geen medische stukken had overgelegd die het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts konden betwijfelen. De bezwaarverzekeringsarts had de belastbaarheid van appellante aangescherpt, rekening houdend met de diagnose van de huisarts, en had gemotiveerd waarom appellante niet volledig arbeidsongeschikt was.

In hoger beroep stelde appellante dat de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de huisarts ten onrechte had gerelativeerd en te positieve beoordelingen had gegeven. De Raad oordeelde echter dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende medisch onderbouwde redenen had gegeven en dat de huisarts zijn standpunt onvoldoende met medische gegevens had onderbouwd.

Ook in hoger beroep werden geen nieuwe medische gegevens overgelegd die het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts konden weerleggen. De Raad vond de motivering van het UWV over de geschiktheid van de geselecteerde functies transparant en toetsbaar. Gezien artikel 8:69 Awb Pro was er geen reden het besluit te vernietigen en bevestigde de Raad de eerdere uitspraak.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante niet langer voor ten minste 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Uitspraak

05/437 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2004, 03/3322 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.L. Sett, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2007. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 11 juni 2003, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 3 januari 2003, waarbij de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante met ingang van 29 januari 2003 is ingetrokken onder overweging dat appellante niet langer voor tenminste 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante geen medische stukken in geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv over de belastbaarheid van appellante. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische grondslag berust.
Wat betreft de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies is de rechtbank van oordeel dat de toelichting en de motivering die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voldoen aan de daaraan te stellen eisen van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid die de Raad in zijn jurisprudentie over het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) in het kader van de toepassing van de WAO heeft ontwikkeld.
Dit alles heeft ertoe geleid dat de rechtbank het bestreden besluit in stand heeft gelaten.
In hoger beroep is aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de huisarts ontoelaatbaar heeft gerelativeerd en dat de rechtbank ten onrechte de vraag niet heeft beantwoord of de bezwaarverzekeringsarts, de klachten van appellante in aanmerking genomen, niet te positieve beoordelingen heeft gegeven.
Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven om anders over het bestreden besluit te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.
Uit de gedingstukken blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever, die de belastbaarheid van appellante in bezwaar heeft aangescherpt, rekening heeft gehouden met hetgeen de huisarts in zijn brief van 10 april 2003 aan de bezwaarverzekeringsarts als diagnose heeft vermeld. In de beschouwing in zijn rapport van 24 mei 2003 heeft Wever toegelicht waarom hij aanvullende beperkingen op psychisch terrein heeft gesteld en waarom hij van oordeel is dat appellantes aandoening niet tot het oordeel kan leiden dat zij in het geheel niet zou kunnen werken.
Die toelichting acht de Raad voldoende en ook voldoende medisch onderbouwd. Daar tegenover staat dat de huisarts zijn opvatting over het al dan niet kunnen werken door appellante nauwelijks met medische gegevens heeft onderbouwd.
Terecht heeft de rechtbank aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts doorslaggevende betekenis toegekend.
Voorts overweegt de Raad dat van de kant van appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd die erop zouden kunnen wijzen dat de belastbaarheid van appellante is overschat.
Het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid van de geselecteerde functies en over de toelichting en de motivering daarvan in het bestreden besluit, is van de zijde van appellante in hoger beroep niet bestreden en ook de Raad niet onjuist voorgekomen.
Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007.
(get) K.J.S. Spaas.
(get) M. Gunter.