ECLI:NL:CRVB:2007:BA2156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ging in hoger beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, omdat zij volgens het UWV niet langer arbeidsongeschikt was voor ten minste 15%.
De rechtbank had het besluit van het UWV bevestigd, waarbij zij oordeelde dat appellante geen medische stukken had overgelegd die het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts konden betwijfelen. De bezwaarverzekeringsarts had de belastbaarheid van appellante aangescherpt, rekening houdend met de diagnose van de huisarts, en had gemotiveerd waarom appellante niet volledig arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep stelde appellante dat de bezwaarverzekeringsarts het oordeel van de huisarts ten onrechte had gerelativeerd en te positieve beoordelingen had gegeven. De Raad oordeelde echter dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende medisch onderbouwde redenen had gegeven en dat de huisarts zijn standpunt onvoldoende met medische gegevens had onderbouwd.
Ook in hoger beroep werden geen nieuwe medische gegevens overgelegd die het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts konden weerleggen. De Raad vond de motivering van het UWV over de geschiktheid van de geselecteerde functies transparant en toetsbaar. Gezien artikel 8:69 Awb Pro was er geen reden het besluit te vernietigen en bevestigde de Raad de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante niet langer voor ten minste 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.