de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2004, 04/705 (hierna: aangevallen uitspraak),
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
Datum uitspraak: 23 maart 2007
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van betrokkene is geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.
Appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. J.J.C. Röttjers. Betrokkene is met kennisgeving niet verschenen.
Betrokkene is in februari 2001 wegens epilepsie uitgevallen voor haar in een deeltijdse omvang verrichte werkzaamheden van thuishulp. In verband hiermee is haar een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 14 augustus 2003 heeft appellant die uitkering met ingang van 6 oktober 2003 herzien naar 35 tot 45%.
Bij besluit van 20 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 14 augustus 2003 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene met ingang van 6 oktober 2003 nader bepaald op 45 tot 55%.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in de functieomschrijving van de functie productiemedewerker voedingsmiddelen industrie, SB-code 111172, vermeld staat dat een scherp mes wordt gehanteerd en dat een risico op snijwonden aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank is niet in voldoende mate rekening gehouden met het gegeven dat betrokkene door haar epilepsie een groter risico loopt op (ernstige) snijwonden dan wel is onvoldoende gemotiveerd dat deze functie geschikt voor betrokkene moet worden geacht.
Ook ten aanzien van de functie productiemedewerker textiel, SB-code 272043, heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat deze functie gelet op de beperkingen van betrokkene geschikt is.
De rechtbank heeft met betrekking tot beide genoemde functies in aanmerking genomen dat blijkens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) de verzekeringsarts betrokkene in verband met haar epilepsie beperkt heeft geacht voor het verrichten van arbeid bij draaiende machines. De rechtbank kan appellant niet volgen waarom betrokkene (dan) wel in staat moet worden geacht om, als vereist bij de productiemedewerker voedingsmiddelen industrie, te werken met een scherp mes en, als vereist bij de productiemedewerker textiel, met een naaimachine.
Met betrekking tot de functie van huishoudelijk medewerker, SB-code 111333, geldt eveneens dat de geschiktheid daarvan volgens de rechtbank onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat betrokkene niet langer geschikt wordt bevonden voor haar eigen werkzaamheden als thuishulp, waarbij appellant naar het oordeel van de rechtbank doet voorkomen dat de eigen functie van betrokkene en de functie van huishoudelijk medewerker van elkaar verschillen nu in de eigen functie, in tegenstelling tot die van huishoudelijk medewerker, veelvuldige deadlines en productiepieken voorkomen. De rechtbank kan dit zonder nadere motivering niet volgen, nu uit de stukken, bijvoorbeeld uit de omschrijving van het eigen werk van betrokkene, zulks niet valt op te maken. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van appellant gelegen om hier nader onderzoek naar te verrichten.
De Raad ziet aanleiding in de eerste plaats te beoordelen - de rechtbank heeft zich daarover niet uitgelaten - of kan worden ingestemd met de ten aanzien van betrokkene in de FML opgenomen beperkingen. In beroep is namens betrokkene aangegeven dat haar grieven zich allereerst hierop richten. Betrokkene is van mening dat zij vanwege haar absences in het geheel niet in staat is tot het verrichten van loonvormende arbeid.
De Raad overweegt dat er geen objectief-medische aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de beperkingen van betrokkene, zoals deze voortvloeien uit haar epilepsie en in het bijzonder uit de wegrakingen waarmee zij vanwege die ziekte te kampen heeft, onvoldoende zijn erkend. Het gaat daarbij om kortdurende absences, variërend van een seconde tot een minuut. Niet valt in te zien, en de beschikbare medische gegevens bieden voor een zodanig oordeel ook geen aanwijzingen, dat die kortdurende wegrakingen volledig in de weg zouden staan aan het verrichten van loonvormende arbeid.
De Raad heeft aldus geen aanleiding om het standpunt van appellant voor onjuist te houden dat betrokkene, mits rekening wordt gehouden met de ten aanzien van haar aangegeven beperkingen - welke onder meer erop gericht zijn persoonlijk risico voor betrokkene als gevolg van de wegrakingen zoveel mogelijk te voorkomen - nog in staat is werkzaamheden te verrichten.
Voorts overweegt de Raad dat hij de door appellant in hoger beroep aangevoerde grieven doel ziet treffen.
De Raad stelt daarbij voorop dat, naar door appellant wordt aangegeven, uit de omtrent betrokkene beschikbare medische gegevens naar voren komt dat een aanval bij haar niet gepaard gaat met ongecontroleerde bewegingen, maar - hooguit - bestaat uit het stoppen van een ingezette handeling. In het licht hiervan acht de Raad genoegzaam aannemelijk dat het werken met een scherp mes niet onverantwoord is te achten. Datzelfde geldt voor het werken met een naaimachine, waarbij geldt dat het hierbij gaat om een beveiligde en - ook wat betreft de naald - afgeschermde machine. Uit het vorenoverwogene volgt dat voldoende vast staat dat de functies van productiemedewerker voedingsmiddelen industrie, SB-code 111172 en van productiemedewerker textiel, SB-code 272043 voor betrokkene passend zijn te achten.
Voorts is er ook geen aanleiding om te twijfelen aan de passendheid van de functie van huishoudelijk medewerker, SB-code 111333, nu de stukken geen enkele aanwijzing bevatten om het ervoor te houden dat in die functie - zoals wel het geval was in de eigen functie van betrokkene - veelvuldige deadlines en productiepieken voorkomen.
Ten slotte overweegt de Raad dat hij appellant ook volgt in de opvatting dat de passendheid van genoemde drie functies zich reeds genoegzaam liet afleiden uit de stukken zoals deze beschikbaar waren ten tijde van de fase van het beroep, en dat aldus met de in hoger beroep als bijlage bij het aanvullend beroepschrift in het geding gebrachte nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeids-deskundige geen wezenlijk nieuwe, tot dan toe ontbrekende, motvering is verstrekt.
De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Nu de Raad zich, naar uit het bovenstaande blijkt, met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan verenigen, dient het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond te worden verklaard.
Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.
De Centrale Raad van Beroep;
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.