ECLI:NL:CRVB:2007:BA2481

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1406 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit ondanks betwisting medische grondslag

Appellant was sinds 21 oktober 2002 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. Het UWV herzag deze uitkering per 4 februari 2004 naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (15-25%). Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, stellende dat zijn medische situatie verslechterd was en dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn beperkingen onvoldoende weerspiegelde.

De rechtbank Amsterdam verwierp het bezwaar en vond geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen, mede omdat de FML was opgesteld op basis van informatie van behandelaars en het UWV. Appellant hield in hoger beroep zijn bezwaren aan, maar kon geen nieuwe medische gegevens overleggen die de eerdere beoordeling ondermijnden.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld en dat de functies die als passend werden beschouwd terecht waren aangenomen. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand bleven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

05/1406 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2005, 04/861(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.E. Menick, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
Appellant is na uitval wegens spanningsklachten voor zijn werkzaamheden als rangeerder met ingang van 21 oktober 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Bij besluit van 9 december 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 4 februari 2004 herzien naar 15 tot 25%.
Bij besluit van 26 maart 2004 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 december 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft de door appellant tegen de medische grondslag van het bestreden besluit naar voren gebrachte grieven verworpen. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is opgesteld mede aan de hand van informatie van Mentrum Geestelijke Gezondheidszorg Amsterdam en de behandelend longarts van appellant en dat de bezwaarverzekeringsarts nadien aan de hand van nader in bezwaar ingebrachte informatie van de behandelend sector tot de conclusie is gekomen dat de opgestelde FML de beperkingen van appellant juist weergeeft.
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende is onderbouwd waarom de in aanmerking genomen functies voor appellant passend kunnen worden geacht.
Nu evenwel die onderbouwing eerst is verstrekt bij arbeidskundig rapport van 3 december 2004, heeft de rechtbank aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen, zij het onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht met instandlating van de rechtsgevolgen daarvan.
Appellant houdt in hoger beroep zijn bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit overeind. Appellant is van mening dat zijn medische situatie slechter is dan voorheen. In het beroepschrift van 1 maart 2005 is in dit verband aangegeven dat appellant sinds een klein jaar weer onder behandeling is van Mentrum in verband met een depressieve stoornis met chronisch karakter en ook een antidepressivum gebruikt.
De Raad is met de rechtbank en met onderschrijving van de door de rechtbank daartoe in aanmerking genomen gronden van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de medische grondslag van het bestreden besluit niet als juist te aanvaarden. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat met de opgestelde FML zijn beperkingen niet voldoende zijn erkend. Een eventuele verslechtering van de gezondheidssituatie van appellant na de datum in geding moet voor dit geding buiten beschouwing blijven.
Ook onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat de bij de schatting in aanmerking genomen functies als passend kunnen worden aanvaard. De Raad merkt in dit verband, naar aanleiding van de door het Uwv in hoger beroep ingediende nadere stukken, waaruit naar voren komt dat bij invulling door de (bezwaar)verzekeringsarts van de FML ten onrechte bepaalde voor appellant van toepassing geachte beperkingen zijn opgenomen als toelichting bij een overigens als normaalwaarde ingevuld belastbaarheidsaspect, nog op dat voldoende is komen vast te staan dat de bezwaararbeidsdeskundige in haar eerder vermelde rapport van 3 december 2004 reeds alle van toepassing geachte beperkingen in de beoordeling had betrokken, daarbij derhalve inbegrepen de in toelichtingen verborgen beperkingen.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten - dat wil zeggen: voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten - voor bevestiging in aanmerking komt.
Er zijn geen aanknopingspunten voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.