ECLI:NL:CRVB:2007:BA2483

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03-6315 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van beslissing UWV over arbeidsongeschiktheid ondanks geschil over medisch deskundigenrapport

Appellant is in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage over zijn arbeidsongeschiktheid en de passendheid van een functie als snijder. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het eerdere onderzoek niet volledig was en benoemde daarom een onafhankelijke revalidatiearts als deskundige. Deze arts concludeerde dat appellant lijdt aan carpaal tunnelsyndroom, maar dat zijn belastbaarheid correct was vastgesteld en de functie als snijder passend is.

De gemachtigde van appellant uitte kritiek op het rapport en stelde dat nader onderzoek door een neuroloog nodig was. De deskundige handhaafde echter zijn conclusies en gaf nadere uitleg. De Raad vond het rapport zorgvuldig en consistent en zag geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van het oordeel van de deskundige.

De Raad wees het verzoek van appellant om een andere deskundige in te schakelen af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 april 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

03/6315 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 december 2003, 03/1039 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.B. de Jong, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. M. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
Na de behandeling van de zaak ter zitting van de Raad van 24 maart 2006 is de Raad tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. Reden waarom de Raad revalidatiearts prof. dr. H.J. Stam als deskundige heeft benoemd.
Op 1 november 2006 heeft Stam van zijn bevindingen rapport uitgebracht. Stam is van mening dat appellant lijdt aan een carpaal tunnelsyndroom aan beide handen, maar dat zijn belastbaarheid juist is vastgesteld door de (bezwaar)verzekeringsarts. De appellant voorgehouden functie van snijder (waar het geding zich voor wat de arbeidskundige kant betreft met name op toespitst) is passend geacht en bovendien acht Stam een nader deskundigenonderzoek niet nodig.
Vervolgens heeft Stam bij schrijven van 21 december 2006 gereageerd op het rapport van de medisch adviseur van de gemachtigde van appellant C.M. Höhmann-Felder, waarin zij kritiek uit op de onderzoeksmethode van Stam en zij aangeeft niet te begrijpen waarom de functie snijder als passend gekwalificeerd wordt. Tevens acht zij een nader onderzoek door een neuroloog geïndiceerd. Stam handhaaft echter zijn conclusies zoals weergegeven in zijn rapport van 1 november 2006 en heeft op enkele punten het rapport nader uitgelegd. Höhmann-Felder heeft vervolgens bij schrijven van 2 januari 2007 wederom haar standpunt herhaald en een artikel over het carpaal tunnelsyndroom bijgevoegd.
De Raad overweegt als volgt.
In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd.
De Raad is van oordeel dat er in het thans aanhangige geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat Stam kennis heeft genomen van de gedingstukken en appellant zelf heeft onderzocht. Hij heeft voorts uitgebreid van zijn bevindingen gerapporteerd en de vragen van de Raad beantwoord. Het rapport is naar het oordeel van de Raad zorgvuldig en consistent en naar behoren gemotiveerd.
Ook in de stukken van Höhmann-Felder treft de Raad geen aanknopingspunten aan om van de bovenvermelde hoofdregel af te wijken. De Raad overweegt daartoe dat Stam de punten van kritiek van Höhmann-Felder heeft besproken en een nadere uitleg heeft gegeven.
Het artikel over het carpaal tunnelsyndroom dat van de zijde van appellant is overgelegd is van zeer algemene bewoordingen en niet aangegeven is in hoeverre en op welke wijze het betrekking heeft op appellant.
Voorts ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellant in te willigen om een andere deskundige (een neuroloog) in te schakelen. De Raad acht zich door het rapport van Stam voldoende geïnformeerd en overweegt dat Stam tot twee maal toe heeft aangegeven dat nader onderzoek door een deskundige niet geïndiceerd is.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.