ECLI:NL:CRVB:2007:BA2489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens motiveringsgebrek
Appellant, geboren in 1976, is sinds oktober 2000 arbeidsongeschikt als gevolg van whiplashklachten door een verkeersongeval in 1999. Zijn WAO-uitkering werd in april 2003 herzien en verlaagd van 80-100% naar 65-80%. Het bezwaar en beroep tegen deze verlaging werden door de rechtbank en het UWV ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelt appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische belastbaarheid. Ook vindt hij dat de functies die voor zijn belastbaarheid zijn aangenomen niet geschikt zijn. De Raad concludeert echter dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat zijn gewaardeerd aan de hand van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De verhoging van zijn uitkering per december 2003 wordt niet relevant geacht omdat die na de datum in geschil plaatsvond. Wel oordeelt de Raad dat het UWV in hoger beroep een nadere toelichting heeft gegeven die in eerste aanleg ontbrak, waardoor het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek wordt vernietigd. De rechtsgevolgen blijven echter in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, met behoud van de rechtsgevolgen.