ECLI:NL:CRVB:2007:BA2489

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-6690 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens motiveringsgebrek

Appellant, geboren in 1976, is sinds oktober 2000 arbeidsongeschikt als gevolg van whiplashklachten door een verkeersongeval in 1999. Zijn WAO-uitkering werd in april 2003 herzien en verlaagd van 80-100% naar 65-80%. Het bezwaar en beroep tegen deze verlaging werden door de rechtbank en het UWV ongegrond verklaard.

In hoger beroep stelt appellant dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische belastbaarheid. Ook vindt hij dat de functies die voor zijn belastbaarheid zijn aangenomen niet geschikt zijn. De Raad concludeert echter dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat zijn gewaardeerd aan de hand van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

De verhoging van zijn uitkering per december 2003 wordt niet relevant geacht omdat die na de datum in geschil plaatsvond. Wel oordeelt de Raad dat het UWV in hoger beroep een nadere toelichting heeft gegeven die in eerste aanleg ontbrak, waardoor het bestreden besluit wegens motiveringsgebrek wordt vernietigd. De rechtsgevolgen blijven echter in stand. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, met behoud van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

04/6690 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 oktober 2004, 04/713 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft, als daarin in het vooruitzicht gesteld, nadien in aanvulling daarop een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters, gedateerd 3 maart 2005, ingezonden.
Bij brief van 20 april 2005 heeft J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.F.J.A. Jennekens.
II. OVERWEGINGEN
De Raad overweegt vooraf dat hij voorbijgaat aan het op 19 februari 2007 ontvangen faxbericht van de vader van appellant, inhoudende dat zijn zoon per direct mr. J. Nijenhuis als gemachtigde heeft ontslagen en dat in verband daarmee om uitstel van de zitting wordt verzocht, reeds omdat dat bericht niet afkomstig is van appellant en niet is gebleken van een ter zake door appellant aan zijn vader verleende machtiging.
De in dit geding relevante feiten laten zich in het kort als volgt weergegeven.
Appellant, geboren 3 maart 1976, is in oktober 2000 wegens whiplashklachten als gevolg van een hem in september 1999 overkomen verkeersongeval uitgevallen als salesmanager. In verband hiermee is hij in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 15 april 2003 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 3 juni 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
Bij besluit van 16 maart 2004 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 april 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant houdt in hoger beroep staande dat er geen zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Hij is van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische belastbaarheid. De meeste van de bij de schatting in aanmerking genomen functies zijn naar het oordeel van appellant niet geschikt voor hem. Appellant acht de verlaging van zijn uitkering voorts onvoldoende onderbouwd, in het licht van het feit dat zijn uitkering met ingang van 23 december 2003, derhalve enkele maanden na de datum in geding, weer is verhoogd naar 80 tot 100%.
De Raad ziet de grieven van appellant in navolging van de rechtbank niet slagen.
De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om appellant te kunnen volgen in diens stelling dat het vanwege het Uwv ingestelde verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Evenmin bestaat aanleiding om ervan uit te gaan dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft onderschat. Blijkens de opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn diverse beperkingen in aanmerking genomen, terwijl tevens een medische urenbeperking tot 22 uur per week is aangenomen. Appellant is ook in hoger beroep niet erin geslaagd aan de hand van objectief-medische gegevens aannemelijk te maken dat en waarom met die FML zijn beperkingen nog onvoldoende zijn gewaardeerd. De verhoging van appellants uitkering per 23 december 2003 naar 80 tot 100% vormt in dit verband geen relevant gegeven, nu blijkens de beschikbare informatie die verhoging te maken heeft met na de datum in geding toegenomen beperkingen bij appellant als gevolg van een verergering van diens spannningsklachten.
De Raad is aldus van oordeel dat de beperkingen van appellant ten tijde in dit geding van belang niet zijn onderschat. Voorts acht de Raad genoegzaam aannemelijk gemaakt dat, gegeven de in de FML opgenomen beperkingen, de bij de schatting betrokken functies voor appellant haalbaar zijn te achten. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de nadere door het Uwv in hoger beroep ingezonden arbeidskundige rapportage van 3 maart 2005 van zijn bezwaararbeidsdeskundige C. Wouters. De in dat rapport opgenomen motivering waarom met de in aanmerking genomen functies de voor appellant vastgestelde belastbaarheid niet wordt overschreden, acht de Raad afdoende.
Nu evenwel die afdoende toelichting eerst in de fase van het hoger beroep is gegeven, acht de Raad termen aanwezig het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek te vernietigen onder bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:73, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand blijven.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2007.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) T.R.H. van Roekel.