ECLI:NL:CRVB:2007:BA2490

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1944 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 18 WAOArt. 8 Schattingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schattingsbesluit arbeidsongeschiktheid en terugvordering WAO-uitkering

Appellant ontving sinds 1998 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Door inkomsten uit arbeid in WSW-verband werd deze uitkering per 29 juni 2002 aangepast naar een fictieve mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Het UWV schortte later de uitbetaling van de WAO-uitkering op en vorderde een bedrag terug dat onverschuldigd was uitbetaald.

Appellant stelde beroep en hoger beroep in tegen deze besluiten, waarbij hij onder meer betoogde dat de vakantietoeslag niet over 12 maanden uitgesmeerd mocht worden en dat zijn maatmaninkomen niet correct was geïndexeerd volgens het Schattingsbesluit. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep verwierpen deze grieven.

De Raad overwoog dat de wijze van vaststelling van de fictieve arbeidsongeschiktheid overeenkomstig eerdere jurisprudentie juist was toegepast en dat het UWV terecht de vakantietoeslag over 12 maanden had uitgesmeerd. Tevens werd geoordeeld dat het CBS het indexcijfer genoemd in artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit niet meer vaststelde en dat het UWV daarom redelijkerwijs het nieuwe indexcijfer van de CAO-lonen mocht gebruiken. Het hoger beroep faalde, en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

05/1944 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 maart 2005, 04/1922 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant was in persoon noch bij gemachtigde aanwezig. Het Uwv was vertegenwoordigd door F.P.L. Smeets.
II. OVERWEGINGEN
Aan appellant is per 24 augustus 1998 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend welke in verband met appellants inkomsten uit arbeid in WSW-verband per 29 juni 2002 werd uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% .
Bij besluit van 23 juni 2004 is per 1 juli 2004 de uitbetaling van de WAO-uitkering geschorst onder overweging dat het vermoeden bestaat dat appellant geen recht meer heeft op een WAO-uitkering.
Bij besluit van 31 augustus 2004 is, zolang nog niet vaststaat dat de door appellant verrichte arbeid leidt tot herziening van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid, per 1 juli 2003 de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer gehandhaafd. Echter, bij dat (kortings-)besluit is bepaald dat de uitkering per 1 juli 2003 niet wordt uitbetaald onder overweging dat appellant op basis van zijn inkomsten uit arbeid eigenlijk minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 2 september 2004 is van appellant € 2.343,37 bruto teruggevorderd onder overweging dat dat bedrag aan WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2003 tot en met 30 juni 2004 onverschuldigd teveel aan hem is uitbetaald en dat niet is gebleken van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Bij besluit van 1 november 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaren tegen de drie evenvermelde primaire besluiten ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat haar niet is gebleken dat wetgeving, regelgeving en jurisprudentie in de weg staan aan de wijze waarop het Uwv appellants (fictieve) arbeidsongeschiktheidspercentage heeft berekend. De rechtbank heeft dan ook niet gehonoreerd appellants grief dat in het kader van de korting dient te worden uitgegaan van de feitelijke inkomsten, zodat de vakantieuitkering niet mag worden uitgesmeerd over 12 maanden, maar dient te worden toegerekend aan de maand van uitbetaling met als gevolg dat de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% over die ene maand niet doch over de andere 11 maanden wel dient te worden uitbetaald en dat dus de uitbetaling per 1 juli 2004 niet had mogen worden geschorst.
Evenmin heeft de rechtbank gehonoreerd appellants grief dat zijn maatmaninkomen niet is geïndexeerd in overeenstemming met het CBS-indexcijfer zoals dat dwingend is voorgeschreven in artikel 8 van Pro het van toepassing zijnde Schattingsbesluit.
In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep naar voren gebrachte grieven in essentie onverkort gehandhaafd.
De Raad overweegt als volgt.
Onder overneming van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden, deelt de Raad het oordeel van de rechtbank wat de wijze van vaststelling van de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid betreft. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd (in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd) heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen.
In dit verband wijst de Raad nog op zijn uitspraak van 21 januari 2000 (LJN: ZB8628) waarbij hij heeft geoordeeld dat, uitgaande van de samenhang tussen enerzijds de in artikel 44 van Pro de WAO neergelegde kortingsbepalingen en anderzijds artikel 18 van Pro de WAO, de schatting van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 44 van Pro de WAO in beginsel op dezelfde manier dient te geschieden als de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 18 van Pro de WAO. De omstandigheid dat het in dat andere geval nog ging om een maandloonvergelijking en in het thans aanhangige geval om een uurloonvergelijking, geeft geen aanleiding tot bijstelling van dat toen gegeven oordeel. Het Uwv heeft hij de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO derhalve terecht de vakantietoeslag (en de eindejaarsuitkering) over 12 maanden uitgesmeerd.
De grief van appellant dat de schatting heeft plaatsgevonden in strijd met artikel 8 van Pro het ten tijde van belang vigerende Schattingsbesluit (hierna: Schattingsbesluit), nu geen toepassing is gegeven aan het in dat artikel voorgeschreven CBS-indexcijfer van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, Categorie Volwassenen, faalt.
Het in artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit genoemde indexcijfer werd ten tijde van de datum hier in geding niet meer door het CBS vastgesteld. Onverkorte uitvoering van artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit behoorde mitsdien voor het Uwv niet tot de mogelijkheden.
De in artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit genoemde index is door het CBS vervangen door de index van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen. De wetgever heeft bij wijziging van het Schattingsbesluit per 1 oktober 2004 aansluiting gezocht bij deze nieuwe index.
Dit neemt niet weg dat op datum in geding dit gewijzigde Schattingsbesluit nog niet gold.
Een redelijk wetstoepassing brengt echter mee, dat in de periode gelegen tussen het vervallen van het in artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit genoemde CBS-indexcijfer voor volwassenen en het tijdstip waarop de wetgever hierin heeft voorzien door aan te sluiten bij de nieuwe index CAO-lonen, het Uwv voor de toepassing van artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit gebruik maakt van het nieuwe indexcijfer.
De Raad tekent hierbij aan dat niet uit het oog kan worden verloren dat het buiten toepassing laten van artikel 8 van Pro het Schattingsbesluit voor appellant zeker niet leidt tot een gunstigere situatie.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep faalt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.