ECLI:NL:CRVB:2007:BA2497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4300 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig secretaresse, werd ziek gemeld met gewrichtsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV kende aanvankelijk een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Na bezwaar en aanvullend onderzoek stelde een arbeidsdeskundige dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg, waarna het UWV besloot de uitkering per 3 juni 2003 in te trekken.

Appellante voerde aan dat haar beperkingen te licht waren ingeschat en dat zij geen volledige werkweek aankon vanwege vermoeidheid en concentratieproblemen. Ook stelde zij dat het UWV buiten de bezwaargronden trad en dat sprake was van een reformatio in peius. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige onderbouwing.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het besluit een heroverweging betrof binnen de bezwaargronden, dat de intrekking per een toekomstige datum geen reformatio in peius vormde, en dat er geen afdoende medische onderbouwing was voor haar stelling dat zij geen volledige werkweek kon werken.

De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren gezien haar beperkingen en dat het UWV de beperkingen niet had onderschat. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet relevant geacht.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 3 juni 2003 wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing van volledige arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

04/4300 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 juni 2004, 03/1659, (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemerverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.A. Cenijn, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft naar aanleiding van een door de Raad gestelde vraag een rapport van 17 juni 2005 van W.G.E. Buskermolen, bezwaararbeidsdeskundige, in het geding gebracht.
Eveneens naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv een rapport van 21 juli 2006 van P. van de Merwe, bezwaarverzekeringsarts, naar de Raad gezonden.
Bij brief van 2 februari 2007 heeft het Uwv een nader rapport van 1 februari 2007 van A.G. Diergaarde, bezwaararbeidsdeskundige, met bijlagen, ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007. Appellante en haar bovengenoemde gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, voorheen werkzaam als secretaresse voor 38 uur per week bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats], heeft zich per 9 oktober 2001 ziek gemeld met hoofd- en nekklachten en hypermobiliteit van de gewrichten. Op 26 juni 2002 heeft zij een aanvraag gedaan tot het ontvangen van uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Voordien had zij per 1 juni 2006 hervat als secretaresse voor 24 uur per week op een advocatenkantoor, welke arbeid zij op of omstreeks
1 maart 2003 heeft gestaakt. Naar aanleiding van voormelde aanvraag is appellante onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, die een aantal voor appellante geldende beperkingen heeft vastgesteld bij het verrichten van arbeid, heeft geconstateerd dat appellante fulltime belastbaar met arbeid is en de bedoelde beperkingen heeft opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv, blijkens diens rapport van
17 oktober 2002, een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd en vastgesteld dat zij daarmee een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies van verdiencapaciteit resteert van 33,9%. Het Uwv heeft bij besluit van
22 oktober 2002 aan appellante bericht dat haar per 8 oktober 2002 een uitkering krachtens de WAO toekomt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Zowel appellante als haar voormalige werkgeefster [naam werkgever] hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Appellante heeft daarbij gesteld, dat haar beperkingen te licht zijn ingeschat, dat zij als gevolg van de extra inspanning die in verband met haar gewrichtsklachten nodig is, snel moe wordt - onder andere grote drukte op het werk kan zij daardoor niet aan mede omdat zij last heeft van concentratieproblemen - en dat een aantal van de geduide functies niet voor haar geschikt is. Het gedurende een gehele werkweek werken lijkt haar niet haalbaar. Van de zijde van de voormalige werkgeefster van appellante is daarentegen opgemerkt, dat appellante met enige aanpassingen en een goede spreiding van (de belastende taken op) het werk wel gedurende hele dagen zou kunnen werken. Bij brief van 4 april 2003 heeft [naam werkgever] het bezwaar ingetrokken.
De bezwaarverzekeringsarts L.Th. Schonagen heeft in zijn rapporten van 20 maart 2003 en 5 juni 2003, na kennisneming van informatie van de huisarts en behandelend revalidatiearts van appellante, vastgesteld dat het primaire medisch oordeel gehandhaafd kan blijven en dat er onvoldoende aanleiding bestaat om appellante niet in staat te achten tot het verrichten van arbeid gedurende een normale werkweek.
De bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen voornoemd heeft in zijn rapport van 24 maart 2003 eerst geconstateerd, dat eerder al was vastgesteld dat, in verband met het vervallen van een van de geduide functies, het te hanteren percentage 45 tot 55 had dienen te bedragen, terwijl rekening gehouden had dienen te worden met de arbeid voor 24 uur per week die appellante in de periode van juni 2002 tot maart 2003 verrichtte, in die zin dat het in aanmerking te nemen percentage met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO over de desbetreffende periode 35 tot 45 dient te zijn. Vervolgens heeft hij vastgesteld dat in de primaire fase ten onrechte voornamelijk parttime functies waren geduid - kennelijk niet wegens een urenbeperking die immers juist niet in de FML was opgenomen -; de arbeidsdeskundige heeft vervolgens de geselecteerde functies opnieuw bezien, een nieuwe uitdraai gemaakt (in fulltime varianten) van de arbeidsmogelijkhedenlijst (voor een belangrijk deel gelijk aan die welke eerder was gehanteerd) en vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% zou moeten bedragen. Het Uwv heeft, nadat een nieuwe hoorzitting was gehouden met name in verband met laatstvermeld oordeel van de arbeidsdeskundige, bij besluit van 6 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit) het primaire besluit van 22 oktober 2002 herroepen in die zin dat de toekenning van uitkering per
8 oktober 2002 alsnog geschiedt naar een percentage van 45 tot 55, dit over de periode van 8 oktober 2002 tot 1 maart 2003 onder toepassing van artikel 44 van Pro de WAO naar een percentage van 35 tot 45. Tevens wordt de WAO-uitkering per
3 juni 2003 ingetrokken. Daarbij heeft het Uwv onder meer overwogen dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 oktober 2002 eigenlijk minder dan 15% zou moeten bedragen, maar dat dit percentage om zorgvuldigheidsredenen eerst per laatstgenoemde datum wordt aangehouden.
Namens appellante is beroep aangetekend tegen het bestreden besluit. Daarbij is hetgeen in eerste instantie was gesteld herhaald en benadrukt dat appellante in verband met haar vermoeidheidsklachten arbeid gedurende een volledige werkweek niet aankan. Tevens is naar voren gebracht dat het Uwv met het besluit tot intrekking van de uitkering buiten de omvang van het bezwaar is getreden nu haar voormalige werkgeefster het van die zijde gemaakte bezwaar had ingetrokken. Tevens heeft zij gesteld, dat er dusdoende in feite sprake is van een reformatio in peius nu zij per saldo door het gemaakte bezwaar in een slechtere positie terecht is gekomen.
De rechtbank heeft, na te hebben geconstateerd dat het beroep uitsluitend de intrekking van de uitkering per 3 juni 2003 betreft, het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat het bestreden besluit nog valt te beschouwen als een heroverweging van het besluit van 22 oktober 2002 en dat het Uwv met dit besluit binnen de grondslag en de reikwijdte van het primaire besluit is gebleven. Van een reformatio in peius is geen sprake nu de intrekking een in de toekomst gelegen datum betreft. Voorts heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
Namens appellante is in hoger beroep het eerder in bezwaar en in beroep gestelde herhaald.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad constateert met de rechtbank allereerst, dat het (hoger) beroep niet het in aanmerking te nemen percentage in de periode van 8 oktober 2002 tot 3 juni 2003 betreft en evenmin de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO. Tevens volgt de Raad de rechtbank in het oordeel dat het bestreden besluit valt te zien als een heroverweging op basis van het bezwaar van appellante: dit bezwaar betrof immers de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 oktober 2002 en het bestreden besluit vermeldt uitdrukkelijk dat die mate op de genoemde datum minder dan 15% zou dienen te zijn; echter om zorgvuldigheidsredenen wordt dit percentage en derhalve de intrekking van de uitkering eerst met ingang van een latere datum geëffectueerd. Om dezelfde reden - het gaat om een in de toekomst gelegen datum - is van een reformatio geen sprake, waarbij de Raad aantekent, dat het Uwv tot de bestreden intrekking per een latere datum ook puur op grond van het bezwaar van appellante (het gaat om een herstel van een arbeidskundige fout gemaakt in de voorfase) over had kunnen gaan.
De Raad acht geen afdoende medische grondslag aanwezig voor de stelling van appellante dat zij geen volledige werkweek zou kunnen werken. Het moge zo zijn dat enkele behandelend artsen haar energetisch beperkt achten, een specifieke en duidelijke medische onderbouwing geven zij daarvoor niet. Ook overigens is de Raad niet tot het oordeel kunnen komen, dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat.
Met betrekking tot de geduide functies merkt de Raad op, dat appellante vooral beperkt is voor wat betreft langdurige en repetitieve bewegingen en met name die waarbij veel kracht vereist is van vingers en polsen. In de geselecteerde functies komt dit, zoals door de arbeidsdeskundige is toegelicht, niet (in relevante mate) voor. Ook overigens heeft de Raad niet de overtuiging gekregen dat de hier bedoelde functies de belastbaarheid van appellante overtreffen.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.J. Janssen.