ECLI:NL:CRVB:2007:BA2497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J. Riphagen
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig secretaresse, werd ziek gemeld met gewrichtsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV kende aanvankelijk een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Na bezwaar en aanvullend onderzoek stelde een arbeidsdeskundige dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedroeg, waarna het UWV besloot de uitkering per 3 juni 2003 in te trekken.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen te licht waren ingeschat en dat zij geen volledige werkweek aankon vanwege vermoeidheid en concentratieproblemen. Ook stelde zij dat het UWV buiten de bezwaargronden trad en dat sprake was van een reformatio in peius. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten. De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat het besluit een heroverweging betrof binnen de bezwaargronden, dat de intrekking per een toekomstige datum geen reformatio in peius vormde, en dat er geen afdoende medische onderbouwing was voor haar stelling dat zij geen volledige werkweek kon werken.
De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren gezien haar beperkingen en dat het UWV de beperkingen niet had onderschat. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd niet relevant geacht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 3 juni 2003 wordt bevestigd wegens onvoldoende medische onderbouwing van volledige arbeidsongeschiktheid.