ECLI:NL:CRVB:2007:BA2613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling maatmaninkomen voor WAZ-uitkering ondanks zwangerschapsverlof
Appellante, een advocaat die als maat was toegetreden tot een maatschap, kreeg een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid die begon op 30 oktober 1994. Het UWV had haar uitkering aangepast op basis van een maatmaninkomen dat was vastgesteld aan de hand van de fiscale nettowinst over de boekjaren 1992 en 1993, de laatste volledige jaren vóór haar arbeidsongeschiktheid.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de wachttijd voor de WAZ-uitkering verlengd moest worden met haar zwangerschaps- en bevallingsverlof, waardoor het maatmaninkomen op basis van het inkomen in 1996 vastgesteld zou moeten worden. De Raad stelde echter vast dat het uitgangspunt voor het maatmaninkomen de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie volledige boekjaren vóór de eerste dag van arbeidsongeschiktheid is, zonder rekening te houden met verwachtingen over toekomstige inkomsten of verlenging van de wachttijd.
De Raad oordeelde dat de ingroeiregeling binnen de maatschap geen bijzonder geval vormt dat een afwijking van deze regel rechtvaardigt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het beroep van appellante ongegrond verklaarde, werd daarom bevestigd. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het maatmaninkomen wordt vastgesteld op basis van de fiscale nettowinst over de laatste volledige boekjaren vóór arbeidsongeschiktheid zonder verlenging van de wachttijd door zwangerschapsverlof.