ECLI:NL:CRVB:2007:BA2758

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1886 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor overblijfkosten kinderen

Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de overblijfkosten van haar twee zoontjes. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat deze kosten niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard door het College.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit van het College ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend voor noodzakelijke kosten van het bestaan die niet uit de bijstandsnorm en andere middelen kunnen worden voldaan.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de overblijfkosten van de kinderen niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt. De Raad zag geen nieuwe argumenten in het hoger beroep die tot een ander oordeel konden leiden en bevestigde daarom de eerdere uitspraak. Tevens werd besloten geen proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor de overblijfkosten van de kinderen wordt bevestigd.

Uitspraak

06/1886 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2006, 04/5260 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 10 april 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Stap, advocaat te Amsterdam hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door
mr. Stap, voornoemd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 15 maart 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de overblijfkosten van haar twee zoontjes. Bij besluit van 15 april 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat deze kosten niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend.
Bij besluit van 16 september 2004 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 september 2004 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijstand voor zover deze niet beschikt over middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover deze niet meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Bij aanvragen om bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB dient allereerst te worden vastgesteld of sprake is van noodzakelijke kosten. Indien hiervan geen sprake is dient de aanvraag te worden afgewezen.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de noodzaak tot het verlenen van bijzondere bijstand voor de overblijfkosten van de twee zoontjes van appellante, niet aannemelijk is geworden. De Raad onderschrijft daarbij de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Het College heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de overblijfkosten dan ook terecht afgewezen.
Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten .
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) R.E. Lysen.