ECLI:NL:CRVB:2007:BA2860

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4282 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Almelo die het besluit tot weigering van een WAO-uitkering aan betrokkene vernietigde. De weigering was gebaseerd op de conclusie dat betrokkene op de peildatum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

De Raad beoordeelde het gebruik van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) als ondersteunend bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid. Hoewel het systeem in beginsel aanvaardbaar is, vertoonde het onvolkomenheden die zwaardere motiveringsvereisten stelden aan schattingsbesluiten zolang het systeem niet was aangepast. De Raad concludeerde dat de aanpassingen aan het CBBS sinds 1 juli 2005 deze tekortkomingen voldoende hebben opgeheven.

De Raad oordeelde dat het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, maar dat met de door appellant ingediende aanvullende arbeidskundige rapportage de motivering alsnog deugdelijke onderbouwing kreeg. Hierdoor was de vernietiging van het besluit door de rechtbank terecht, maar konden de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven volgens artikel 8:72 lid 3 Awb Pro.

De Raad legde tevens vast dat signaleringen met een G in het CBBS altijd van een afzonderlijke toelichting moeten worden voorzien en dat in voorkomende gevallen overleg met een verzekeringsarts noodzakelijk is. Het hoger beroep van appellant werd gegrond verklaard, waarbij het griffierecht werd opgelegd.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/4282 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 13 juli 2006, 05/148 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 6 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak waarnaar hierbij wordt verwezen.
Betrokkene heeft de Raad meegedeeld dat haar gemachtigde in eerste aanleg, de medewerker bezwaar en beroep bij Arcon, G. Grote Beverborg, ook in hoger beroep voor haar optreedt.
Bij brief van 15 december 2006 heeft appellant nog nadere arbeidskundige stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft, ten dele gevoegd met een aantal andere zaken, plaatsgevonden op 12 januari 2007. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door E.J.S. van Daatselaar, beleidsmedewerker en jurist, H.A.M. Hulshof, senior bezwaararbeidsdeskundige, W.C. Otto, verzekeringsarts en beleidsmedewerker en D. Vermeulen, arbeidsdeskundig analist. Van de zijde van gedaagde is, zoals tevoren was aangekondigd, niemand verschenen.
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 9 juli 2004 heeft appellant geweigerd aan betrokkene per 27 mei 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat zij op die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 29 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Appellant is in hoger beroep van gekomen van de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het ingestelde beroep gegrond heeft verklaard en het bestreden besluit heeft vernietigd. Daartoe heeft appellant in zijn hoger beroepschrift
d.d. 21 juli 2006 aangevoerd:
“De rechtbank overweegt dat wij hadden moeten onderzoeken of bij de geautomatiseerde vergelijking ten onrechte mogelijke overschrijdingen niet zijn gesignaleerd en voorzien van een markering. Tevens hadden wij voor ieder niet-matchend beoordelingspunt moeten nagaan welke belasting de geselecteerde functies op dit punt kennen en hadden moeten motiveren dat deze belasting de mogelijkheden van betrokkene niet te boven gaat.”
en
“Wij zijn van mening dat nu het CBBS (Claimbeoordelings- en Borgingssysteem) is aangepast, de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voldoende inzichtelijk is. Met de aanpassingen die inmiddels in het CBBS zijn doorgevoerd is ons inziens immers aan alle kritiek in de uitspraken van uw Raad van 9 november 2004 tegemoet gekomen. De aanpassingen aan het CBBS hebben gevolgen voor de presentatie van de gegevens, die overzichtelijker is geworden. De inhoud en werking van het systeem is ongewijzigd. Kernvraag is en blijft of de geselecteerde functies geschikt zijn. De belasting die in deze functies aan de orde is, is door de recente aanpassingen niet gewijzigd. Met andere woorden de vraag is niet zozeer of het CBBS voldoende vergaand is aangepast, maar of de (bezwaar)arbeidsdeskundige en eventueel de (bezwaar)verzekeringsarts de geschiktheid van de functies voldoende hebben gemotiveerd. Dat het systeem een bepaalde werkwijze ondersteunt waarbij nadere motivering door de (bezwaar)arbeidsdeskundige achterwege wordt gelaten, doet daaraan niet af. Het systeem is inzichtelijk, dus ook de werkwijze om bepaalde signaleringen niet nader te motiveren. Het is enkel de vraag of met de gehanteerde werkwijze de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende wordt onderbouwd.”
Gezien het hoger beroepschrift van appellant en het achterwege blijven van verweer ziet de Raad aanleiding om het hoger beroep beperkt te achten tot de door appellant opgeworpen arbeidskundige punten.
Met betrekking tot het door appellant gehanteerde CBBS verwijst de Raad allereerst naar zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN AR4717, zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN AY9971, en zijn uitspraken van
23 februari 2007, onder meer LJN AZ9153.
De Raad heeft - kort gezegd - overwogen dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is te achten als ondersteunend systeem bij de bepaling van (de mate van) arbeidsongeschiktheid, maar dat het een aantal onvolkomenheden vertoont en dat, zolang het CBBS niet wordt aangepast, zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van schattingsbesluiten. In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk bij de beslissing op het bezwaar aan die eisen wordt voldaan. In het geval dat in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een besluit op bezwaar, dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
Met betrekking tot het nieuwe CBBS is de Raad tot de slotsom gekomen dat met de aangebrachte aanpassingen de aan het CBBS klevende in zijn evengenoemde uitspraken van 9 november 2004 beschreven onvolkomenheden in voldoende mate zijn opgeheven. Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt waar het zich richt tegen het oordeel van de rechtbank dat er nog immer tekortkomingen in algemene zin aan het CBBS zouden kleven.
Wat betreft de signaleringen met een G heeft de Raad overwogen dat alle door het CBBS-systeem op de functiebelastingen aangebrachte signaleringen van een afzonderlijke toelichting dienen te worden voorzien, waarbij tevens geldt dat in voorkomende gevallen, afhankelijk van de zich voordoende feiten en omstandigheden, voorafgaand overleg met de verzekeringsarts noodzakelijk zal zijn. Het door appellant ingenomen standpunt dat het systeem de werkwijze ondersteunt waarbij in voorkomende gevallen nadere motivering door de (bezwaar)arbeidsdeskundige achterwege kan worden gelaten, dat het systeem inzichtelijk is en daarmee ook de werkwijze om bepaalde signaleringen niet nader te motiveren, kan de Raad dan ook niet onderschrijven.
Bij brief van 15 december 2006 heeft appellant een rapportage ingezonden van de bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee van dezelfde datum, waarin de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn besproken in het licht van voormelde uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 en waarbij alle in die functies voorkomende signaleringen alsnog van een toelichting zijn voorzien.
De vaststelling dat het bestreden besluit eerst is voorzien van een deugdelijke onderbouwing nadat de beslissing op bezwaar was genomen leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank, zij het op volstrekt andere gronden, het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.
Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist als hierna in rubriek III. is aangegeven.
Van op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.