Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging besluit arbeidsongeschiktheid WAO-uitkering na deskundigenonderzoek
Appellante stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om haar een WAO-uitkering toe te kennen van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid per 16 maart 2001. Na eerdere vernietiging door de rechtbank werd een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van appellante deels werd gehonoreerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte het UWV in het gelijk stelde en dat het medisch onderzoek onvoldoende rekening hield met haar beperkingen. De Raad overwoog dat het UWV het oordeel van een onafhankelijke reumatoloog volledig had gevolgd en dat het arbeidsdeskundig onderzoek aannemelijk maakte dat appellante de relevante werkzaamheden kon verrichten.
De Raad achtte de eigen niet-medische mening van appellante onvoldoende onderbouwd en stelde vast dat alleen de situatie per 15 maart 2001 relevant was, niet latere verslechteringen. Gezien het volledige medisch en arbeidsdeskundig onderzoek werd het bestreden besluit bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot toekenning van een WAO-uitkering van 15-25% wordt bevestigd.
Uitspraak
05/242 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 december 2004, 03/2808 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 30 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 oktober 2001, inzake de gegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de weigering een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij dit besluit heeft verweerder bepaald dat eiseres per 16 maart 2001 in aanmerking komt voor een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het beroep van eiseres was geregistreerd onder nummer 01/2008.
Het beroep is behandeld ter zitting van 9 juli 2002. Na behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde een deskundigenonderzoek te laten plaatsvinden. Op verzoek van de rechtbank hebben psychiater Van Eyk en reumatoloog Slaats als deskundigen onderzoek verricht en daarvan schriftelijk verslag uitgebracht.
Bij uitspraak van 19 september 2003 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 oktober 2001 vernietigd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiseres.
Bij besluit van 20 november 2003 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering een WAO-uitkering toe te kennen gegrond verklaard en besloten haar een WAO-uitkering toe te kennen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.”
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak waarbij het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar zoon D.J.P. Luisterburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer J.B. Snoek, werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
In hoger beroep heeft appellantes gemachtigde een uitgebreide samenvatting gegeven van de voorgeschiedenis en naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv juist heeft gehandeld en de conclusies van de deskundige reumatoloog Slaats voldoende heeft meegenomen in de vaststelling van de belastbaarheid. De rechtbank gaat te eenvoudig voorbij aan het door haar zelf bij uitspraak van 19 september 2003 opgedragen nader onderzoek. Ter zitting is voorts nog naar voren gebracht dat appellante met ingang van 1 april 2005 wél in aanmerking is gebracht voor een volledige WAO-uitkering.
Bij verweerschrift heeft het Uwv opgemerkt van mening te zijn dat op een juiste en correcte wijze uitvoering is gegeven aan hetgeen de reumatoloog in zijn rapport heeft verwoord. Het is bij uitstek een medicus die een juiste interpretatie kan geven van medische conclusies, aldus het Uwv.
De Raad kan appellante in haar grief niet volgen.
Daartoe overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling, na de vernietiging van het besluit van 19 oktober 2001, in zijn rapport van 28 oktober 2003 de conclusies van de deskundige Slaats met betrekking tot het meer beperkt zijn van appellante volledig heeft overgenomen en het belastbaarheidspatroon overeenkomstig diens rapportage heeft aangescherpt.
De bezwaararbeidsdeskundige P. Blom heeft vervolgens de voorgehouden functies in het licht van het aangepaste belastbaarheidspatroon bezien en in zijn rapportage van 17 november 2003 gemotiveerd dat appellante met inachtneming van haar beperkingen in staat moet worden geacht de aan deze functies verbonden werkzaamheden te verrichten.
De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat nu het Uwv de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke en onpartijdige deskundige, die zijn oordeel heeft gebaseerd op eigen onderzoek, op de in het dossier aanwezige op appellante betrekking hebbende stukken, alsmede op de door hem verkregen informatie van de behandelende sector, volledig heeft gevolgd, er geen aanleiding bestaat het bestreden besluit voor onjuist te houden, noch voor het instellen van een nader medisch onderzoek.
Aan de eigen, ook in hoger beroep niet met nadere medische gegevens onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien.
De Raad merkt op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 15 maart 2001. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit kan slechts anders zijn indien die verslechtering - achteraf - een ander licht werpt op haar gezondheidstoestand ten tijde van de datum in geding. Hiervan is de Raad uit de beschikbare gegevens, waaronder hetgeen ter zitting van de Raad is besproken, niet gebleken.
Uit het vorenstaande volgt dat moet worden beslist als hierna in rubriek III aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2007.