ECLI:NL:CRVB:2007:BA2867

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5588 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen schorsing WAO-uitkering wegens te late indiening

De appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 1 november 2005 te schorsen vanwege het niet retourneren van een inlichtingenformulier. Dit bezwaar werd echter één dag te laat ingediend, namelijk op 1 december 2005 terwijl de termijn tot 30 november liep.

Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn en vond geen bijzondere omstandigheden die deze overschrijding konden rechtvaardigen. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep bevestigden dit oordeel.

De Raad overwoog dat appellant tijdig zijn advocaat had benaderd en dat er geen verschoonbare redenen waren voor het te laat indienen van het bezwaar. Tevens werd benadrukt dat de gevolgen van nalatigheden van een gemachtigde voor rekening van de cliënt blijven. Er was geen grond om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Daarmee werd het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, en bleef het bezwaar niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de schorsing van de WAO-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

06/5588 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2006, 06/602 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.R. Bissessur, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bissessur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 19 oktober 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering per 1 november 2005 geschorst. Appellant heeft een inlichtingenformulier niet geretourneerd en daarmee niet de informatie verstrekt die van invloed kan zijn op zijn uitkering.
Bij faxbericht van 1 december 2005 - dat dezelfde dag door het Uwv is ontvangen - is namens appellant tegen dit besluit bezwaar aangetekend.
Het Uwv heeft vervolgens in zijn besluit van 20 januari 2006 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, waartoe in aanmerking is genomen dat de laatste dag van de bezwaartermijn liep tot en met 30 november 2005 en dat derhalve het bezwaar van appellant één dag te laat ingediend is.
Het Uwv heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden voor het bestaan van bijzondere omstandigheden waardoor de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar zou zijn.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht appellants bezwaarschrift tegen het besluit van 19 oktober 2005 niet ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant met zijn schrijven van 28 november 2005 in staat is gebleken tijdig zijn advocaat voor hulp bij de procedure te benaderen.
Het is de Raad voorts niet gebleken van enige verschoonbaarheid aan de zijde van appellant inzake het niet tijdig indienen van een - desnoods proforma, dat wil zeggen nog niet gemotiveerd - bezwaarschrift bij het Uwv, waartoe tot en met 30 november 2005 nog gelegenheid bestond.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de gevolgen van processuele handelingen, waaronder tevens te verstaan een nalaten van een gemachtigde in het algemeen, voor rekening te blijven van degene die zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd. De Raad heeft geen aanknopingspunten om daar in het onderhavige geval anders over te oordelen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
RB1203