ECLI:NL:CRVB:2007:BA2877

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-649 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herbeoordeling arbeidsongeschiktheid ondanks klachten over rook en temperatuur

Appellante, sinds 1990 arbeidsongeschikt als loketmedewerker, kreeg een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2001 werd het belastbaarheidspatroon uit 1999 gehandhaafd, met een maximale belastbaarheid van halve dagen. Het UWV stelde dat zij met bepaalde functies een inkomen kon verdienen, wat leidde tot een herziening van haar uitkering in 2002.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische klachten, vooral haar overgevoeligheid voor rook en temperatuur, onvoldoende waren meegewogen en dat de functies ongeschikt waren. De Raad stelde vast dat het UWV voldoende rekening had gehouden met medische informatie en dat de gezondheidstoestand juist was vastgesteld. Verder was er een algemeen rookverbod op de werkplekken van de functies, en kon van de werkgever verwacht worden dat ook andere ruimtes rookvrij werden gehouden.

De Raad oordeelde dat er geen medische of arbeidsdeskundige onderbouwing was om de beperkingen aan te scherpen of de functies als ongeschikt te beschouwen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herbeoordeling en wijst het hoger beroep van appellante af.

Uitspraak

05/649 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2004, 03/1181 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante is nog een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokenbrand.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is in 1990 voor haar werk als fulltime loketmedewerker bij de PTT uitgevallen. In 1991 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij een herbeoordeling in 2001 is met akkoordbevinding van de verzekeringsarts vastgesteld dat het aan de uitkering ten grondslag liggende belastbaarheidspatroon uit 1999 kon worden gehandhaafd. Hierin zijn functionele beperkingen aangegeven die verband houden met appellantes allergische constitutie, snelle vermoeidheid en bewegings- en pijnklachten. Er is onder meer een urenbeperking aangegeven, inhoudend dat zij maximaal voor halve dagen belastbaar is voor arbeid. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens een aantal functies aan appellante voorgehouden, waarmee een zodanig inkomen kon worden verdiend dat sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van 55 tot 65%, waarna de uitkering, na een aankondiging, bij besluit van 14 juni 2002 met ingang van 16 juni 2002 dienovereenkomstig is herzien en nader vastgesteld.
Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen dit besluit is zij medisch onderzocht door de verzekeringsarts C. Sjobbema. Deze heeft eveneens vastgesteld dat zij belastbaar is overeenkomstig het belastbaarheidspatroon uit 1999.
De arbeidsdeskundige P.C. Hooijkamp heeft daarna bevestigd dat zij per 16 juni 2002 voor 55 tot 65% arbeidsongeschikt is te beschouwen in de zin van de WAO. Nadat appellante voorts haar bezwaren op een hoorzitting had toegelicht en van haar zijde onder meer was gewezen op de uitkomst van een in 1996 in opdracht van de rechtbank uitgevoerd deskundigenonderzoek van de huidarts B. van Dorp, waarin is vermeld dat appellante niet kon werken in een ruimte met andere mensen vanwege haar allergieën, heeft de bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove, die de hoorzitting had bijgewoond, rapport uitgebracht van haar nadere medisch onderzoek. Zij is tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is de aangenomen arbeidsbeperkingen aan te scherpen.
De bezwaararbeidsdeskundige D. Klazema heeft daarop gerapporteerd dat appellante in staat moet zijn de bij de berekening van haar arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen functies van telefoniste/receptioniste, secretaresse/stenotypiste en bankbediende te vervullen. Daarbij heeft hij aangegeven dat deze functies in geactualiseerde vorm ook na 16 juni 2002 nog in voldoende mate voorkwamen op de arbeidsmarkt. Bij besluit op bezwaar van 3 februari 2003 heeft het Uwv het besluit van 14 juni 2002 gehandhaafd.
De rechtbank heeft daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar medische klachten zijn onderschat, waarbij zij heeft gewezen op de klachten die zij krijgt in een ruimte met airconditioning, tabaksrook en hoge temperatuur. Zij meent voorts dat de door het Uwv in aanmerking genomen functies niet geschikt voor haar zijn. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat op de datum in geding nog geen wettelijk algemeen rookverbod op de werkplek gold en dat niet duidelijk is gebleken dat de functies aan het vereiste van schone lucht en normale temperatuur voldoen.
Ten aanzien van het besluit op bezwaar van 3 februari 2003 stelt de Raad vast dat het Uwv daarbij voldoende rekening heeft gehouden met de klachten van appellante op grond van medische informatie van haar behandelaars en eigen medisch onderzoek. De Raad kan daaruit voorts niet afleiden, net zo min als uit het in bezwaar naar voren gehaalde rapport van de huidarts Van Dorp uit 1996, gelezen in combinatie met de informatie van de internist-endocrinoloog W.E. de Graaff uit juni 2002, dat de (lichamelijke en psychische) gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding onjuist is vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft ook gemotiveerd aangegeven waarom - uit medisch oogpunt bezien - door haar niet kan worden aangenomen dat appellante niet zou kunnen werken in een ruimte met meer personen vanwege haar huid- en ademhalingsaandoeningen.
Met betrekking tot de vraag of appellantes overgevoeligheid voor (tabaks)rook aan haar geschiktheid voor de geduide functies bij een zorgverzekeraar, een ziekenhuis en een bank in de weg staat, overweegt de Raad dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft toegelicht dat uit de gegevens van de arbeidsanalist van het Uwv is gebleken dat al op 16 juni 2002 een door de werkgever uitgevaardigd algemeen rookverbod gold voor de ruimtes waarin de secretaresse (op deze datum genaamd: secretaresse verpleegafdeling) en bankbediende (op deze datum genaamd: administratief medewerker) moesten werken. Voor de functie van telefoniste/receptioniste gold een dergelijk verbod voor de balie, maar niet voor het vertrek waar - volgens een van tevoren vastgesteld rooster - met drie collega’s de telefooncentrale moest worden bediend. De Raad volgt evenwel het Uwv in zijn standpunt dat voor laatstgenoemde ruimte in redelijkheid van de werkgever gevergd kon worden een zodanige maatregel te nemen dat ook deze kamer rookvrij werd gehouden. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat ten tijde in geding - in de periode voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Tabakswet per 1 januari 2004 - de ontwikkelingen in de hier gegeven arbeidsverhoudigen al zover waren voortgeschreden dat algemeen reeds was aanvaard dat de zorgplicht van de werkgever, zoals opgenomen in artikel 7:658, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, meebracht om zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder en overlast van roken door anderen te ondervinden. Met betrekking tot de overgevoeligheid van appellante om te werken in een ruimte met vervuilde lucht overweegt de Raad dat van de werkgevers in de onderhavige functies eveneens kon worden gevergd dat zij zodanige maatregelen troffen dat de medewerkers niet in vervuilde lucht of een tochtige omgeving hoefden te werken. De Raad heeft ten slotte geen onderbouwing in de stukken kunnen vinden, noch medisch, noch arbeidsdeskundig, voor de stelling van appellante dat zij niet zou kunnen werken in een ziekenhuis vanwege de te hoge temperatuur. Dit betekent dat de functies geacht konden worden voor appellante geschikt te zijn.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) T.R.H. van Roekel.
RB2903