ECLI:NL:CRVB:2007:BA2891

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2033 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening arbeidsongeschiktheidsklasse en toewijzing schadevergoeding in WAO-uitkering

Appellant, voormalig software engineer, stopte op 9 augustus 2002 met werken wegens RSI-klachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Na bezwaar handhaafde het UWV deze indeling, ondanks correcties in de berekening van het maatmaninkomen en mediane loon.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond vanwege ondeugdelijke motivering van het arbeidskundige deel, maar handhaafde de medische beoordeling. De Raad bevestigt dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld op basis van rapporten van verzekeringsartsen. Wel erkent zij een fout in de berekening van de resterende verdiencapaciteit doordat een gewijzigde reductiefactor niet was meegenomen.

De correcte berekening leidt tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. De Raad beveelt het UWV aan een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van schadevergoeding, proceskosten en het griffierecht van appellant.

Uitkomst: Het UWV dient een nieuw besluit te nemen met een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35% en wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

05/2033 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 maart 2005, 04/619 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 6 april 2007
I PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.W. Bemelmans, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007.
Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bemelmans, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door G.M.M. Diebels.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, laatstelijk werkzaam als software engineer voor 40 uur per week, heeft zijn werkzaamheden op 9 augustus 2002 moeten staken in verband met RSI-klachten. Op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv appellant bij besluit van 6 augustus 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend met ingang van 8 augustus 2003, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Na door appellant ingediend bezwaar heeft het Uwv indeling in de ongeschiktheidsklasse, zij het met een correctie in de berekening van het maatmaninkomen en het mediane loon, gehandhaafd bij besluit van 18 mei 2004 (het bestreden besluit).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
De rechtbank heeft daarbij in de eerste plaats overwogen dat de grief van appellant dat zijn medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld dient te worden verworpen.
Vervolgens is de rechtbank met betrekking tot het arbeidskundige deel van het bestreden besluit tot het oordeel gekomen dat dat besluit op een ondeugdelijke motivering berust, maar dat het Uwv er in beroep in is geslaagd een nadere toelichting, onderbouwing en motivering van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende uitgangspunten te geven.
Ten slotte onderschrijft de rechtbank de grief van appellant dat de functies van flexoperator en manual assembly operator vanwege het afwijkende arbeidspatroon niet aan hem had mogen worden voorgehouden. De rechtbank is echter tevens van oordeel dat er voldoende andere functies met een normaal arbeidspatroon met voldoende arbeidsplaatsen resteren en dat de berekening van de resterende verdiencapaciteit met inachtneming van het mediane loon van electronicamonteur (in plaats van machinaal metaalbewerker) eveneens leidt tot een percentage dat ligt binnen de klasse 15 tot 25.
In hoger beroep heeft appellant zich evenals in bezwaar en beroep op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen tot het verrichten van arbeid onvoldoende zijn verwoord in de Functionele Mogelijkheden Lijst. Appellant kan zich verenigen met de overweging van de rechtbank dat de functies van flexoperator en manual assembly operator hem niet voorgehouden hadden kunnen worden gezien het feit dat er sprake is van wisselende diensten. Hij is echter tevens van mening dat ook de overige functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd voor hem niet passend zijn.
De grieven van appellant worden door de Raad niet onderschreven. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, wat het medisch aspect betreft, kan worden gedragen door de rapporten van de verzekeringsarts H.A.J. Derix en de bezwaarverzekeringsarts M. Carere. Met name het rapport van de bezwaarverzekeringsarts Carere van 1 december 2004, waarin deze ingaat op de door appellant in beroep ingezonden medische informatie, biedt naar het oordeel van de Raad voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de medische beperkingen van appellant per de datum in geding -8 augustus 2003- juist zijn vastgesteld.
In hetgeen appellant in hoger beroep nog heeft aangevoerd omtrent de rapporten van de revalidatiearts M.D.F. van Eijsden-Besseling van 22 september 2004 en 25 november 2004 vindt de Raad geen aanleiding om het verzoek van appellant om een expertise te laten verrichten door een onafhankelijk deskundige in te willigen.
Met betrekking tot de berekening van de resterende verdiencapaciteit van appellant heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad erkend dat is verzuimd rekening te houden met de in het bestreden besluit gewijzigde reductiefactor van 0,93. Een corrrecte berekening leidt tot indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.
Nu het Uwv het bestreden besluit op dit punt niet langer handhaaft, kan ook de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten, geen stand houden. Het Uwv dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient het verzoek om schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende vergoeding bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995/314.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellant heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Het bedrag van € 41,80 voor het uitgebrachte rapport van de revalidatiearts M.D.F. van Eijsden-Besseling komt eveneens voor vergoeding in aanmerking.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 685,80, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en L.H. Waller als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
CVG