ECLI:NL:CRVB:2007:BA2892

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1814 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als chauffeuse rolstoelvervoer, stopte haar werkzaamheden vanwege fysieke en psychische klachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de medische beoordelingen van onafhankelijke artsen die haar volledig arbeidsongeschikt achtten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische grondslag van het UWV-besluit niet onzorgvuldig was en dat de rechtbank de grieven van appellante voldoende had gemotiveerd. De Raad benadrukte dat de controlearsten hun oordeel baseerden op reïntegratiemogelijkheden in het eigen werk, terwijl het UWV de geschiktheid voor gangbare arbeid als maatstaf hanteerde.

Daarnaast vond de Raad dat de arbeidskundige beoordeling deugdelijk was en dat er voldoende passende functies binnen de belastbaarheid van appellante waren, wat de conclusie rechtvaardigde dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/1814 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 februari 2005, 04/2897 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 6 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007.
Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Deugd, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, laatstelijk werkzaam als chauffeuse rolstoelvervoer voor 18 uur per week, heeft haar werkzaamheden op 17 februari 2003 moeten staken in verband met handklachten. Later kreeg zij ook psychische klachten en rugklachten. In verband hiermee heeft zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd.
Bij besluit van 17 februari 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 16 februari 2004 een WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij besluit van 29 juni 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 februari 2004 ongegrond verklaard.
Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep -samengevat- aangevoerd dat de rechtbank op ontoereikende gronden, althans met een ontoereikende motivering het beroep heeft verworpen. De rechtbank gaat ten onrechte voorbij aan het in bezwaar reeds ingebrachte oordeel van de verzekeringsarts van Arbo Planning A. Mathoera van 4 februari 2004 en de bevindingen van de arbo-arts (Commit) van 7 oktober 2003 en 22 januari 2004. Deze controlerende artsen achtten appellante, anders dan de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv, volledig arbeidsongeschikt en tegen die achtergrond had het Uwv zich meer moeite moeten getroosten om het bestreden besluit te motiveren, aldus appellante.
Evenals de rechtbank, zoals zij in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, ziet de Raad geen aanleiding om de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig te achten.
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het oordeel van de controlerend artsen is gegeven in het kader van de mogelijke reïntegratie van appellante in haar eigen werk, terwijl bij de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv de geschiktheid van appellante voor gangbare arbeid als uitgangspunt is genomen.
Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft naar het oordeel van de Raad geen gebreken. Er zijn aan appellante voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen voorgehouden die vallen binnen haar belastbaarheid en die de conclusie rechtvaardigen dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht en op goede gronden is vastgesteld op minder dan 15%.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en L.H. Waller als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM