ECLI:NL:CRVB:2007:BA2895

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2881 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant, een electrotechnicus, viel in juni 2001 uit wegens klachten zoals CVS/ME, longproblemen en diabetes mellitus. Het UWV weigerde hem een WAO-uitkering toe te kennen per 12 juni 2002, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.

De Raad overwoog dat medische verklaringen en functionele mogelijkhedenlijsten (FML) correct waren vastgesteld en dat de klachten van appellant, waaronder rugklachten en CVS/ME, onvoldoende onderbouwd waren om een hogere mate van arbeidsongeschiktheid aan te nemen. Ook latere medische verklaringen van internisten en een chiropractor konden het oordeel niet wijzigen.

Appellant stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen groter waren, maar de Raad vond dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd geen onaanvaardbare belasting voor appellant vormden. Het hoger beroep faalt en de weigering van de WAO-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

04/2881 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 april 2004, 03/11 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2007. Appellant was in persoon aanwezig. Het Uwv was vertegenwoordigd door V.A. Kali.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was voltijds werkzaam als electrotechnicus toen hij op 13 juni 2001 uitviel met klachten over oververmoeidheid (CVS/ME), longen/cara en suiker/diabetes (DM).
Bij besluit van 27 november 2002 is ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 11 juni 2002 waarbij is geweigerd aan hem per 12 juni 2002, in aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken, een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het besluit van 27 november 2002 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
Op grond van de beschikbare medische gegevens zijn appellants functionele mogelijkheden na zorgvuldig medisch onderzoek juist vastgesteld en neergelegd in de Functionele MogelijkhedenLijst (FML). Van objectieve medische aanknopingspunten die een beperking van de arbeidsduur kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken.
Voor inschakeling van een onafhankelijke medisch deskundige, waarom appellant heeft gevraagd, bestaat geen aanleiding.
Gegeven de FML kan appellant niet in staat worden geacht zijn eigen werkzaamheden als electrotechnicus te verrichten, maar moet hij wel in staat worden geacht tot het vervullen van de hem voorgehouden voltijdse functies. De belasting in die functies gaat de grenzen van appellants belastbaarheid niet te buiten. Bij de drie meest verlonende, aan de schatting ten grondslag gelegde functies is geen sprake van voor appellant vanwege zijn cara bezwaarlijke temperatuurswisselingen. Met het vervullen van die functies kan hij een zodanig inkomen verwerven dat het verlies aan verdiencapaciteit niet meer dan 12,7% bedraagt.
In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat hij onheus is bejegend door de verzekeringsarts bij wie hij op 25 april 2002 op het spreekuur is geweest, dat het onderzoek door deze arts niet zorgvuldig is geweest, ook omdat geen inlichtingen zijn ingewonnen bij de hem behandelende artsen, en dat hij medisch gezien met name vanwege zijn rugklachten, zeer moeilijk instelbare DM en CVS/ME meer is beperkt dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen.
Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant nog ingebracht een verklaring van de hem behandelend internist dr. L.G. van Doorn van 23 september 2003, waarin als diagnosen zijn vermeld DM type I en CVS, als anamnese dat appellant zegt met zijn oude klachtenpatroon nu beter te kunnen leven en als beloop/bespreking dat er op dat moment sprake is van een voor appellants doen niet al te onbevredigende situatie en dat een afspraak voor een controle over acht maanden is gemaakt.
Voorts heeft appellant ingebracht een verklaring van de hem behandelend internist dr. F.H.J. Wolfhagen van 21 juni 2004, inhoudende dat appellant bekend is met een zeer moeilijk instelbare DM waarvoor hij een insulinepomp gebruikt.
Tevens heeft appellant ingebracht een verklaring van de hem behandelend chiropractor H.A. Bakker van 31 oktober 2003, waarin deze heeft vermeld dat hij appellant op 21 oktober 2003 op verwijzing van diens huisarts in zijn praktijk heeft gezien, nadat appellant daags tevoren een acute pijnaanval in de lage rug heeft gekregen.
De Raad overweegt als volgt.
Vooraf merkt de Raad op dat appellant er zich bij zijn standpuntbepaling niet steeds van bewust lijkt dat de datum in geding 12 juni 2002 is.
Gegeven de voorhanden medische gegevens kan de Raad zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en haar daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad betrekt daarbij het volgende.
Het primaire besluit is op 11 juni 2002 genomen, nog voordat een reactie was gekregen van de door de primaire verzekeringsarts bij brief van 25 april 2002 aangeschreven, appellant behandelende longarts J.M.A.M. Retera. Voor zover dit onzorgvuldig genoemd zou kunnen worden, is die onzorgvuldigheid vóór het nemen van het bestreden besluit opgeheven. Immers, de na rappel in de bezwaarfase alsnog bij brief van 9 juli 2002 gegeven reactie van Retera is door de bezwaarverzekeringsarts op 4 november 2002 betrokken in zijn oordeelsvorming met het oog op het op 27 november 2002 genomen bestreden besluit. Retera heeft in die verklaring opgenomen dat gezien de hyperreactiviteit stoffige ruimten, contact met vluchtige stoffen, temperatuurswisselingen en dergelijke moeten worden vermeden. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 november 2002 vermeld dat de toelichting bij de FML in overeenstemming is met het evenvermelde advies van Retera, maar die vermelding is niet geheel juist, omdat in de op 29 mei 2002 vastgestelde FML niet reeds óók rekening was gehouden met temperatuurswisselingen. In die onjuistheid is naar het oordeel van de Raad evenwel onvoldoende aanleiding gelegen om het bestreden besluit niet juist te achten, omdat de 3 functies waarop de schatting is gebaseerd geen blootstelling aan temperatuurswisselingen te zien geven.
De primaire verzekeringsarts heeft op 25 april 2002 gerapporteerd dat appellant “sedert 8 jaar suikerziekte, waarvoor een insuline pomp” heeft en voorts “De suiker is redelijk stabiel”. Uit de door appellant in hoger beroep ingebrachte verklaringen van de internisten Van Doorn en Wolfhagen, welke dateren van ruim 1 respectievelijk ruim 2 jaar na de datum in geding, valt naar het oordeel van de Raad niet af te leiden dat appellant ten tijde in geding wat de DM betreft meer was beperkt dan bij de FML vastgesteld.
De verklaring van Van Doorn dat een afspraak voor een controle over acht maanden is gemaakt, duidt niet op een situatie waarin vanwege de DM bij de FML meer en/of ernstiger medische beperkingen hadden moeten worden vastgesteld.
De verklaring van Wolfhagen laat in het midden of ten tijde in geding sprake was van een moeilijk instelbare DM, of de schommelingen van de bloedsuikerspiegel met behulp van de door appellant al ettelijke jaren gebruikte insulinepomp binnen de perken worden gehouden en of appellant ook nog bij gebruikmaking van de insulinepomp meer en/of ernstiger medische beperkingen heeft dan bij de FML vastgesteld.
De verklaring van de chiropractor Bakker heeft eveneens betrekking op een situatie van (ver) na de datum in geding en kan daarom evenmin in de op appellants medische situatie op de datum in geding 11 juni 2002 betrekking hebbende oordeelsvorming worden betrokken. Appellant heeft de rugklachten waarvan hij, afgaande op de stukken, voor het eerst bij zijn bezwaarschrift melding heeft gemaakt, niet met enige medische verklaring onderbouwd. Ter zitting van de Raad heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij al jaren last heeft van een verschoven rugwervel, maar enige bevestiging van die verklaring is in de voorhanden stukken niet te vinden. Niet is dan ook kunnen worden vastgesteld dat appellant met de wèl - om andere redenen - in de FML opgenomen rugontlastende beperkingen te kort is gedaan.
Wat de CVS/ME, een van de moeilijk objectiveerbare aandoeningen, betreft heeft appellant als grief naar voren gebracht dat die diagnose niet is gesteld. Die grief moet falen, reeds omdat, welke diagnose ook wordt gesteld, bepalend is welke de aard, ernst en omvang zijn van de medische beperkingen waartoe de gestelde diagnose aanleiding geeft. Gelet op de onderzoeksbevindingen van de primaire verzekeringsarts en de sedertdien ingebrachte medische gegevens, is de Raad evenmin als de rechtbank kunnen blijken dat appellants functionele mogelijkheden (wat de CVS/ME betreft afgezien van de temperatuurswisselingen) bij de op 29 mei 2002 opgestelde FML niet juist zijn vastgesteld.
Gelet op het vorenstaande moet appellant worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies volledig te kunnen vervullen.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep faalt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM