ECLI:NL:CRVB:2007:BA3014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7396 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 453 Ambtenarenreglement AmsterdamArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inhouding bezoldiging wegens niet-naleving ziekmeldingsvoorschriften ambtenaar

Appellant, een personenvervoerder op de bus, was vanaf 31 oktober 2003 wegens ziekte belast met vervangende werkzaamheden. In de periode van 22 tot en met 31 december 2003 verscheen hij zonder bericht niet op het werk. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hield daarop de bezoldiging over deze uren in en gaf appellant een berisping. Na bezwaar werden deze maatregelen gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de inhouding van de bezoldiging ongegrond, stellende dat appellant zijn werk verwijtbaar had verzuimd conform artikel 453, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). Er waren geen aanwijzingen dat appellant door ziekte verhinderd was zijn werk te verrichten en hij had zich niet gehouden aan de voorschriften omtrent ziekmelding.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zich ziek had gemeld bij de arbo-arts en in de veronderstelling verkeerde dat dit voldoende was, omdat het college al op de hoogte was van zijn ziekte. De Raad verwierp dit verweer, benadrukte de duidelijke verplichting tot ziekmelding bij de leidinggevende zoals vastgelegd in de brochure “Regels bij ziekte” en constateerde dat uit niets bleek dat de arbo-arts had vastgesteld dat appellant arbeidsongeschikt was.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en de inhouding van de bezoldiging, en wees een verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De inhouding van bezoldiging wegens niet-naleving van de ziekmeldingsvoorschriften wordt bevestigd.

Uitspraak

05/7396 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2005, 04/6484 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 29 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.R. van Waveren Hogervorst, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, personenvervoerder op de bus, was vanaf 31 oktober 2003 in verband met ziekte belast met vervangende werkzaamheden. In de periode van 22 december 2003 tot en met 31 december 2003 is hij zonder bericht niet op het werk verschenen. Naar aanleiding daarvan heeft het college appellant een berisping gegeven. Verder is over de niet gewerkte uren de bezoldiging ingehouden. Na bezwaar zijn deze beslissingen gehandhaafd.
2. Het door appellant tegen de (handhaving van de) inhouding van de bezoldiging gerichte beroep is in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat zich hier de situatie voordoet als bedoeld in artikel 453, eerste lid, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (hierna: ARA): als gevolg van verwijtbaar handelen heeft appellant zijn werk verzuimd. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant door ziekte verhinderd was zijn (vervangend) werk te verrichten en in ieder geval heeft appellant zich niet gehouden aan de voor hem geldende voorschriften betreffende ziekmelding.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats gesteld dat hij zich niet kan verenigen met de overweging van de rechtbank dat hem de straf is opgelegd met toepassing van artikel 453, eerste lid, van het ARA. Verder betoogt hij dat hij zich heeft ziek gemeld bij de arbo-arts, in de (onjuiste) veronderstelling verkerend dat dit voldoende zou zijn en dat een ziekmelding bij het college niet noodzakelijk was. Het college was immers reeds bekend met zijn ziekte.
3.2. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
4. De Raad kan zich geheel verenigen met de beslissing en de overwegingen van de rechtbank en hij ziet hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geen doel treffen.
Appellants eerste stelling berust op een onjuiste lezing van de uitspraak. De rechtbank spreekt met betrekking tot de inhouding van bezoldiging niet van een straf; daarvan is ook geen sprake.
Appellants betoog over de ziekmelding miskent de duidelijke verplichting om melding te doen bij de leidinggevende. Van die verplichting was aan appellant bekendheid gegeven door verspreiding van de brochure “Regels bij ziekte”. Voorts is uit geen enkel gegeven gebleken dat de ziekmelding bij de arbo-arts tot de conclusie heeft geleid dat appellant arbeidsongeschikt was.
5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2007.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) A.J. Rentmeester.