ECLI:NL:CRVB:2007:BA3087

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4905 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • L.J.A. Damen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 BarpArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag ambtenaar politie wegens arbeidsongeschiktheid zonder zorgvuldig herplaatsingsonderzoek

Betrokkene was werkzaam als medewerker binnen de politie en meldde zich ziek wegens RSI-klachten. Na langdurige arbeidsongeschiktheid verleende appellant, de politieregio Limburg Zuid, ontslag op grond van ongeschiktheid. De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep van betrokkene gegrond omdat appellant niet zorgvuldig had onderzocht of herplaatsing binnen de regio mogelijk was.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dat appellant onvoldoende heeft onderzocht of betrokkene passend werk kon verrichten binnen de regio, ondanks twee pogingen tot arbeidstherapeutische plaatsing die niet haalbaar bleken. De Raad benadrukt dat een zorgvuldig en ernstig herplaatsingsonderzoek vereist is, waarbij de ambtenaar betrokken moet worden en elke reële mogelijkheid moet worden benut.

De Raad oordeelt dat appellant het vereiste onderzoek niet heeft uitgevoerd, mede gezien de medische beperkingen van betrokkene die maximaal twee uur beeldschermwerk per dag aankan. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, het ontslagbesluit vernietigd en appellant wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het ontslagbesluit wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldig onderzoek naar herplaatsingsmogelijkheden.

Uitspraak

05/4905 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 juli 2005, 04/1847 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (België), (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 12 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.G.M. Reinaerts, advocaat te Kerkrade.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Betrokkene was werkzaam in de projectfunctie van medewerker [naam bureau].
1.2. Op 17 november 2000 heeft betrokkene zich ziek gemeld wegens RSI-klachten.
1.3. Bij brief van 11 november 2003 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersver-zekeringen appellant desgevraagd bericht dat betrokkene op de voorgenomen ontslag-datum 1 januari 2004 voor de vervulling van zijn functie twee jaar arbeidsongeschikt was wegens ziekte of gebrek en dat naar verwachting ook nog zal zijn zes maanden na die datum.
1.4. Bij besluit van 21 november 2003 heeft appellant vervolgens met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) aan betrokkene met ingang van 1 januari 2004 eervol ontslag verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Bij het bestreden besluit van 17 september 2004 heeft appellant dit ontslagbesluit na daartegen door betrokkene gemaakt bezwaar, gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat in dit geval voldaan is aan de onder a en b van het in haar uitspraak weergegeven derde lid van artikel 94 van Pro het Barp voor het kunnen verlenen van ontslag opgenomen eisen. Naar het oordeel van de rechtbank is evenwel niet een zorgvuldig onderzoek gehouden naar de mogelijkheden om betrokkene binnen de politieregio andere arbeid aan te bieden, als in dit derde lid onder c bedoeld.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht of de RSI-klachten die ten grondslag liggen aan de arbeidsongeschiktheid van betrokkene, in en door de dienst zijn ontstaan en, oordelende dat dit het geval is, zich op het standpunt heeft gesteld dat (extra) zware eisen moeten worden gesteld aan eerder bedoeld onderzoek.
De Raad deelt op zichzelf deze zienswijze van appellant. Ongeacht of sprake is van een beroepsziekte (of dienstongeval), dient het onderzoek naar de mogelijkheden de betrokken ambtenaar andere arbeid binnen de politieregio aan te bieden, zorgvuldig te zijn. Daarbij merkt de Raad op dat naar vaste jurisprudentie, zie onder meer de uitspraak van 17 juli 2003,
LJN AI0622 en TAR 2004, 19, deze eis van zorgvuldigheid betekent dat het onderzoek zeer ernstig moet worden genomen en elke reële mogelijkheid tot herplaatsing dient te worden aangegrepen. Voorts dient naar vaste jurisprudentie - zie onder meer CRvB 20 april 2000, LJN ZB8786 en TAR 2000, 77 - de ambtenaar bij zo’n onderzoek te worden betrokken. Voor zover appellant daar anders over zou denken, dient dat te worden afgewezen.
3.2. Uit de gedingstukken blijkt dat vanwege appellant twee maal een poging is gedaan betrokkene op arbeidstherapeutische basis te laten hervatten in een andere functie gedurende 20 uur per week. De eerste maal ging het om een aangepaste functie bij de afdeling Voorlichting. Na op 12 maart 2001 met de vervulling van die functie te zijn begonnen is betrokkene wegens verergering van zijn klachten op 13 juni 2001 weer volledig uitgevallen. De tweede maal is betrokkene op 1 maart 2002 de functie van management assistent bij het project Euregionaal Veiligheidscentrum gaan uitoefenen, maar reeds op 21 maart 2002 moest hij hiermee stoppen omdat de klachten opnieuw toenamen.
3.3. De Raad gaat ervan uit dat beide voormelde functies geen reële mogelijkheid voor betrokkene inhielden nu hij het werk in geen van beide kon volhouden.
3.4. Betrokkene is beperkt ten aanzien van het werken met een beeldscherm. Naar eigen zeggen kan hij per dag ten hoogste anderhalf tot twee uur met een beeldscherm werken en overschreed het werk in beide op basis van arbeidstherapie vervulde functies dit maximum. Voormelde stelling van betrokkene omtrent zijn medische beperkingen komt overeen met de op
5 maart 2001 door de bedrijfsarts gegeven zienswijze.
3.5. Naar het oordeel van de Raad lag het op de weg van appellant zich allereerst, met inachtneming van ter zake verkregen medisch advies, een oordeel te vormen over de mate waarin betrokkene nog in staat was om beeldschermwerk te verrichten. Vervolgens kon en moest dan bezien worden of betrokkene binnen de politieregio in een functie kon worden geplaatst die zijn mogelijkheden op dit punt niet te boven gingen.
3.6. De Raad is niet gebleken dat appellant in deze zin heeft gehandeld. Afgezien daarvan is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting evenmin gebleken dat appellant (buiten eerder genoemde twee plaatsingen) serieuze pogingen heeft gedaan een andere arbeidsplaats voor betrokkene te vinden. De Raad tekent daarbij aan dat blijkens het verhandelde ter zitting ongeveer 400 burgerfuncties binnen de politieregio Limburg Zuid bestaan en dat niet onaannemelijk is dat in een (ook voor betrokkene geschikt) aantal daarvan minder dan anderhalf á twee uur per dag beeldschermwerk behoeft te worden verricht. Niet is ook uit te sluiten dat de functies van beleidsvertaler en persvoorlichter waarvoor betrokkene belangstelling heeft, daartoe kunnen worden gerekend.
3.7. Vorenstaande overwegingen leiden de Raad tot het oordeel dat de rechtbank zich terecht, zij het op deels minder juiste grond, op het standpunt heeft gesteld dat appellant het bepaalde in artikel 94, derde lid, aanhef en onder c, van het Barp niet heeft nageleefd. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
3.8. Reeds gezien het vorenstaande komt (ook) de Raad niet toe aan een beoordeling van de stelling van betrokkene dat het ontslag gepaard diende te gaan met nadeelcompensatie. De Raad laat dan ook geheel in het midden wat de kans van slagen van die stelling zou zijn.
4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en € 36,20 aan reiskosten, derhalve in totaal € 680,20.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met in achtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 680,20, te betalen door de politieregio Limburg Zuid;
Bepaalt dat van de politieregio Limburg Zuid een griffierecht van € 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) E.W.M. Menkveld-Botenga.