ECLI:NL:CRVB:2007:BA3103

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-92 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • L.J.A. Damen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16:1:1 CAR/UwoArt. 15:1:3 CAR/UwoArt. 240b SrArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijk ontslag wegens bezit van kinderporno op zakelijke laptop

Appellant was werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst en gebruikte een zakelijke laptop die door de organisatie was verstrekt. Tijdens voorbereiding van de laptop voor netwerkgebruik werden door automatiseringsmedewerkers twee zipbestanden met kinderporno aangetroffen. Appellant werd daarop geschorst en vervolgens ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim.

Appellant ontkende dat de kinderporno op de zakelijke laptop stond en stelde dat hij alleen op zijn privéapparatuur dergelijke bestanden had. Hij voerde aan dat zijn eerdere verklaringen zelf-incriminerend waren onder druk van politie. Uit het strafrechtelijk proces-verbaal bleek dat op de harde schijf geen kinderporno meer was gevonden, omdat de bestanden waren verwijderd tijdens het herstelproces.

De Raad concludeerde echter dat de verklaringen van appellant en de automatiseringsdeskundigen betrouwbaar zijn. Het bezit van kinderporno op de zakelijke laptop stond vast en vormde een ernstig plichtsverzuim. Gezien de voorbeeldfunctie van appellant en de integriteit van de organisatie was het ontslag gerechtvaardigd en niet onevenredig.

De Raad oordeelde verder dat het onderzoek naar de bestanden geen onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van appellant vormde. Het beroep tegen het ontslag werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Maastricht bevestigd.

Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag van appellant wegens bezit van kinderporno op de zakelijke laptop wordt bevestigd.

Uitspraak

06/92 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 november 2005, 05/691 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het algemeen bestuur van de Regionale Sociale Dienst [district] (hierna: algemeen bestuur)
Datum uitspraak: 12 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2007 waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.J.E. Koster, advocaat te Maastricht. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. M.L.M. van de Laar, advocaat te Maastricht. Tevens was aanwezig J. [D.], voorzitter van het algemeen bestuur.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Appellant was sedert 1 januari 2004 werkzaam als [naam functie] van de Regionale Sociale Dienst [district] (hierna: RSD). Dit is een openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen. De RSD voert de taken uit van aan de gemeenschap-pelijke regeling deelnemende gemeentebesturen op het gebied van de sociale zekerheid.
1.3. De RSD heeft appellant ten behoeve van zijn werkzaamheden een laptop verstrekt. Op 12 juli 2004 heeft appellant deze laptop op het werk ingeleverd omdat deze diende te worden gereed gemaakt voor aansluiting op het netwerk. De systeem-netwerkbeheerder en een medewerker van een extern bedrijf (hierna: automatiseringsmedewerkers) die daarmee waren belast hebben later aan hun leidinggevenden gemeld dat zij op 12 juli 2004 op de laptop van appellant in twee zogenoemde zipbestanden kinderporno hadden aangetroffen. Appellant is vervolgens bij besluit van 27 augustus 2004 per gelijke datum geschorst met behoud van salaris. Tevens is hem per 27 augustus 2004 de toegang tot het dienstgebouw ontzegd. Appellant is ook strafrechtelijk vervolgd.
1.3. Nadat appellant zich had verantwoord, heeft het algemeen bestuur hem bij besluit van 27 oktober 2004, met ingang van 1 november 2004 de disciplinaire straf van onvoorwaar-delijk ontslag opgelegd wegens door hem gepleegd plichtsverzuim. Appellant wordt verweten dat hij op zijn zakelijke laptop bestanden met (zeer grove) kinderporno had staan en dat hij deze bestanden heeft ingezien en bewaard. Daarbij heeft het algemeen bestuur overwogen dat appellant dit - bij meerdere gelegenheden - heeft erkend. Voorts is overwogen dat het volstrekt onacceptabel is dat op de laptop porno, en zeker (strafbaar) kinderporno, wordt opgeslagen. Het algemeen bestuur heeft daarnaast overwogen dat appellant met het zoeken naar erotisch getinte sites ook het risico heeft genomen dat er ongewild bepaalde andere bestanden op de laptop zouden komen te staan. Het algemeen bestuur is van mening dat de straf niet onevenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 25 februari 2005.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant ontkent in hoger beroep dat er kinderporno op de laptop heeft gestaan. Hij heeft gesteld dat hij zelf-incriminerende verklaringen heeft afgelegd omdat de politie hem zou hebben verteld dat op een computer alles kan worden teruggevonden, ook als deze een aantal malen helemaal is geformatteerd (schoongemaakt). De erkenning door appellant zag op zijn privécomputer en -cd-roms en niet op de laptop van het werk. De film met kinderporno die de politie en de automatiseringsmedewerkers hebben beschreven, kent hij niet. Volgens het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal uit de strafrechtelijke procedure is op de harddisk van de laptop geen kinderpornografisch materiaal gevonden.
4. De Raad stelt voorop dat appellant enkele malen heeft erkend dat er op de door de RSD verstrekte laptop bestanden met kinderporno hebben gestaan. Zo heeft appellant blijkens pagina 3 van het verslag van het verantwoordingsgesprek van
24 september 2004 zelf verklaard dat er op de zakelijke laptop een zipbestand stond met kinderporno. Uit zowel dit verslag als het verslag van de hoorzitting van 27 augustus 2004 valt voorts af te leiden dat appellant van internet erotische films had gedownload, dat tot zijn ontzetting was gebleken dat daarbij ook kinderporno zat en dat het stom was dat hij de door hem geziene bestanden heeft bewaard. Ook in diverse brieven, zoals die van 1, 5 en 26 oktober 2004, is door of namens appellant erkend dat er een (beperkt) aantal films in het zipbestand van kinderpornografische aard was.
4.1. Uit de verklaringen van de automatiseringsdeskundigen in samenhang met de verklaring van de coördinator automatisering, zoals afgelegd tijdens het disciplinair onderzoek, leidt de Raad het volgende af. De van het externe bedrijf afkomstige medewerker had de opdracht de bestanden op de laptop van appellant veilig te stellen en terug te zetten. Daartoe maakte hij een kopie (image) van alle bestanden van de harde schijf van de laptop om die tijdelijk op te slaan op de netwerkserver. Dat opslaan op de netwerkserver lukte echter niet wegens de grote omvang van een aantal bestanden. Nadat alle onnodige en tijdelijke bestanden waren verwijderd en het opslaan nog steeds niet lukte, is gezocht naar bestanden die zeer groot waren. Daarbij zijn in twee zipbestanden drie films gevonden. Na het openen hiervan is een film met kinderporno aangetroffen. In het proces-verbaal van 23 augustus 2004 uit de strafrechtelijke procedure heeft een inspecteur van politie bevestigd dat deze film kinderporno bevat. De beschrijving van deze film komt overeen met de beschrijving die de medewerkers hebben gegeven.
4.2. Dat de beschreven film volgens het uit de strafrechtelijke procedure afkomstige proces-verbaal van 30 november 2005 niet meer is teruggevonden op de laptop, leidt de Raad niet tot het oordeel dat er geen kinderporno op de laptop heeft gestaan en dat appellant onjuiste belastende verklaringen over zichzelf heeft afgelegd. De reden voor het niet terug kunnen vinden van deze bestanden blijkt uit de verklaring van 16 september 2004 van de externe automatiseringsdeskundige: hij heeft een nieuw image van de harde schijf zonder de twee zipbestanden teruggezet op de laptop en daarmee ook de oude overschreven, waardoor deze definitief zijn verwijderd.
De Raad ziet geen aanleiding om appellant niet aan zijn aanvankelijke verklaringen te houden en aan de verklaringen van de automatiseringsdeskundigen te twijfelen.
4.3. Gegeven het feit dat sprake was van een zakelijke laptop die niet was bedoeld voor het bezoeken van erotisch getinte sites, en gezien de noodzaak deze computer met het oog op aansluiting op het netwerk opnieuw in te richten, ziet de Raad in de in 4.1. beschreven gang van zaken waarbij de aanwezigheid van kinderporno op die laptop is ontdekt en voorwerp is geworden van disciplinair onderzoek, geen schending van de persoonlijke levenssfeer van appellant.
4.4. De Raad is dan ook van oordeel dat het handelen van appellant voldoende vaststaat en gekwalificeerd kan worden als zeer ernstig plichtsverzuim in de zin van artikel 16:1:1, tweede lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden regeling en Uitwerkingsovereen-komst (CAR/Uwo). Ook heeft appellant in strijd gehandeld met artikel 15:1:3, aanhef en onder b, van de CAR/Uwo, hetgeen appellant eveneens was verweten.
4.5. Naar het oordeel van de Raad had appellant als [naam functie] van de RSD een voorbeeld-functie en is door zijn handelen het aanzien van RSD als integere publiekrechtelijke instelling in ernstige mate aangetast. Het handelen van appellant is, voor zover het betreft het bezit van kinderporno, strafbaar gesteld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het algemeen bestuur op goede gronden het begane plichtsverzuim als zodanig ernstig heeft beschouwd dat onvoorwaar-delijk ontslag als reactie hierop was aangewezen. Derhalve is er naar het oordeel van de Raad geen sprake van een onevenredig zware sanctie.
4.6. Gelet op al het voorgaande moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.M. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.