Art. 77 lid 1 onder j BarpArt. 285a SrArt. 44 SrArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontslag wegens plichtsverzuim na contacten met familie in strafrechtelijk onderzoek
Appellant, werkzaam als hoofdagent bij de politie, werd ontslagen wegens plichtsverzuim na contacten met de familie van een collega die strafrechtelijk werd onderzocht. Hoewel hij werd vrijgesproken van strafbare feiten, oordeelde de korpsbeheerder dat zijn gedrag niet paste bij een goed ambtenaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het ontslag.
In hoger beroep stelde appellant dat er geen disciplinair onderzoek was verricht conform de richtlijn en dat zijn contacten slechts steunbetuigingen waren. De Raad overwoog dat een disciplinair onderzoek niet noodzakelijk was omdat de gedragingen konden worden vastgesteld via het strafrechtelijk onderzoek. De Raad vond dat appellant zich verwijtbaar had gedragen door onder meer het in twijfel trekken van de integriteit van een collega en het benaderen van de aangeefster via een vertrouwenspersoon.
De Raad concludeerde echter dat het ontslag onredelijk zwaar was gezien de omstandigheden, waaronder het feit dat appellant handelde vanuit vriendschap en dat het functioneren van het korps niet ernstig werd geschaad. Daarom vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval een nieuwe beslissing. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wegens plichtsverzuim wordt vernietigd en de korpsbeheerder moet een nieuwe beslissing nemen.
Uitspraak
05/6359 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 15 september 2005, 05/3224 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Korpsbeheerder van de politieregio [district] (hierna: korpsbeheerder)
Datum uitspraak: 29 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P. Reitsma, advocaat te Harderwijk. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.A.N. Woddema-Bot en
mr. N.G. Roothans, beiden werkzaam bij de politieregio [district]. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [C.], wonende te [plaatsnaam].
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als hoofdagent van politie bij de politieregio [district].
1.2. Op 12 januari 2004 is op een tweetal telefoonnummers van C., een collega van appellant, een telefoontap geplaatst in verband met een tegen C. gericht onderzoek ter zake van verkrachting dan wel seksueel misbruik, waarvan aangifte was gedaan door V.. Appellant is met C. en diens familie reeds langere tijd goed bevriend. Op 10 februari 2004 is C. aangehouden en in bewaring gesteld.
1.3. Op verzoek van de leider van het onderzoek tegen C. heeft appellant direct na de aanhouding van C. contact onderhouden met diens familie teneinde aan hen steun te bieden. Op 11 februari 2004 is aan appellant en zijn collega’s te verstaan gegeven dat in diensttijd geen contact mocht worden opgenomen met de familie C. en dat werd afgeraden dit privé buiten diensttijd te doen.
1.4. Appellant is op 25 mei 2004 aangehouden op verdenking van het plegen van het misdrijf, strafbaar gesteld in artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht, en het schenden van de bijzondere ambtsplicht als bedoeld in artikel 44 vanPro die wet.
1.5. Nadat appellant schriftelijk zijn zienswijze omtrent het voornemen daartoe had gegeven, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 22 maart 2005 appellant met onmiddellijke ingang op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) ontslag verleend.
1.6. Bij strafvonnis van de rechtbank Arnhem van 25 maart 2005 is appellant van het hem tenlastegelegde vrijgesproken.
1.7. Bij het bestreden besluit van 18 augustus 2005 heeft de korpsbeheerder na door appellant gemaakt bezwaar het besluit van 22 maart 2005, voor zover hier van belang, gehandhaafd.
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna rechtbank) heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, voor zover hier van belang, bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt en dat al deze gedragingen plichtsverzuim opleveren. Ten slotte achtte de rechtbank de opgelegde straf niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er aan de vaststelling van het plichts-verzuim geen disciplinair onderzoek ten grondslag is gelegd zoals is beschreven in de Richtlijn Disciplinaire Onderzoeken (Richtlijn). Ook overigens is van de voorschriften van genoemde Richtlijn afgeweken. Voorts heeft appellant aangevoerd dat uit het onder 1.6. vermelde strafvonnis onomstotelijk volgt dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Appellant meent dat al hetgeen hij heeft gedaan en gezegd in zijn contacten met de familie C. slechts zag op het bieden van hulp en steun aan vrienden en niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Bovendien hebben vrijwel alle hem verweten gedragingen plaatsgevonden buiten diensttijd en in een privésetting. Ten slotte heeft appellant als grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ter zitting heeft toegegeven dat hij de vertrouwenspersoon heeft gevraagd de aangeefster te bewegen om de aangifte in te trekken.
3.1. De korpsbeheerder heeft zijn standpunten uitdrukkelijk gehandhaafd.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
4.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn opvatting dat de korpsbeheerder een afzonderlijk disciplinair onderzoek had moeten instellen. Zoals de Richtlijn ook voorop stelt is een disciplinair onderzoek vereist, indien er signalen van ongewenst gedrag zijn, die onderzocht dienen te worden om een goed beeld van de situatie te krijgen. De aan appellant verweten gedragingen konden echter worden vastgesteld aan de hand van de in het strafrechtelijk onderzoek naar C. opgemaakte tapverslagen en getuigenverklaringen. In onderdeel 1 van de Richtlijn is aangegeven dat in een dergelijk geval een disciplinair onderzoek achterwege kan blijven. Voorts acht de Raad van betekenis dat de desbetref-fende gegevens aan appellant bekend waren en hij de gelegenheid gehad heeft om zich hierover uit te laten bij het geven van zijn zienswijze op het voorgenomen strafbesluit. Hetgeen appellant bij deze gelegenheid naar voren heeft gebracht behoefde er niet toe te leiden dat de korpsbeheerder alsnog een afzonderlijk disciplinair onderzoek naar een of meer van de aan appellant verweten gedragingen zou instellen. Van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor is gelet op het voorgaande geen sprake.
4.2. Het plichtsverzuim dat de korpsbeheerder aan het opleggen van de straf ten grondslag heeft gelegd, kan worden samengevat in de volgende punten.
1. het in diskrediet brengen van zijn chef, inspecteur K., bij de echtgenote van C.;
2. het in een kwaad daglicht stellen van de aangeefster V. bij de echtgenote van C.;
3. het vragen aan de vertrouwenspersoon van de aangeefster om te bewerkstelligen dat deze de aangifte zou intrekken;
4. het ondermijnen van het vertrouwen van de echtgenote van C. in het politieonderzoek;
5. het belemmeren van het politieonderzoek tegen C.;
6. het overtreden van het verbod om in diensttijd contact te hebben met de familie C..
4.3. Na kennisneming van de inhoud van de tapverslagen van de door appellant gevoerde telefoongesprekken staat voor de Raad voldoende vast dat appellant zich in de contacten met de familie C. niet altijd voldoende terughoudend heeft opgesteld en uitlatingen heeft gedaan die hij strikt genomen achterwege had dienen te laten. Met name acht de Raad verwijtbaar dat appellant de integriteit van K., die betrokken was bij de bij C. gedane huiszoeking, in twijfel heeft getrokken door te suggereren dat deze in staat zou zijn daarbij voor C. belastende goederen in diens woning te brengen. De omstandigheid dat, zoals ook aan de familie bekend was, C. reeds lang met K. gebrouilleerd was, kan dit enigszins begrijpelijk maken, maar kan appellant hiervoor onvoldoende verontschuldigen. Overigens, zo blijkt uit het dossier, is die suggestie ook door een andere politiefunctio-naris aan de echtgenote van C. gedaan. Voorts blijkt ook uit de tapverslagen dat appellant zich negatief heeft uitgelaten over de zuiverheid van de redenen voor het onderzoek tegen C. en de wijze waarop dit onderzoek zou worden gedaan.
4.4. Door appellant is weersproken dat hij, zoals de aangevallen uitspraak vermeldt, tijdens de zitting van de rechtbank heeft erkend dat hij aan de vertrouwenspersoon heeft gevraagd de aangeefster te bewegen om de aangifte in te trekken. Nu het van die zitting opgemaakte proces-verbaal hieromtrent niets bevat en gelet op de verklaring van de ter zitting door de Raad gehoorde getuige, kan die erkenning niet als vaststaand worden aangenomen. Niettemin kan ervan worden uitgegaan dat appellant aan de vertrouwens-persoon heeft gevraagd terug te gaan naar de aangeefster en haar te vragen of de aangifte op waarheid berustte en of zij zich, in geval dat niet zo was, wel bewust was van de ernstige gevolgen voor de verdachte en diens familie. Naar het oordeel van de Raad had appellant afstand moeten nemen van het idee om hangende het strafrechtelijk onderzoek tegen C. via de vertrouwenspersoon de aangeefster te benaderen met vragen omtrent het waarheidsgehalte van haar aangifte. De omstandigheid dat appellant subjectief te goeder trouw heeft gehandeld en dat de vertrouwenspersoon zelf verklaarde dat zij niet in de juistheid van de aangifte geloofde, biedt hiervoor onvoldoende verontschuldiging. Ook de zeer negatieve bewoordingen waarmee appellant zich naar de familie C. toe over de aangeefster heeft uitgelaten, geven er blijk van dat appellant onvoldoende distantie in acht wist te nemen.
4.5. De Raad ziet niet dat de handelwijze van appellant heeft geleid tot een belemmering van het onderzoek tegen C. Van het weerhouden van de familie C. om een verklaring af te leggen, is geen sprake geweest. Het door appellant aan de echtgenote en zoon van C. gegeven advies om in hun direct na de aanhouding ontstane toestand van psychische en emotionele spanning niet onmiddellijk een verklaring af te leggen en het wijzen op hun verschoningsrecht is begrijpelijk en ook anderen dan appellant hebben dit advies gegeven. De familie heeft de verklaringen voorts niet lang daarna afgelegd.
4.6. Ten slotte kan worden vastgesteld dat appellant tegen de uitdrukkelijk gegeven instructie in eenmaal in diensttijd telefonisch contact met de familie C. heeft opgenomen.
5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat appellant zich niet heeft schuldig gemaakt aan alle hem verweten gedragingen. Niettemin heeft hij zich niet gedragen als een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen en zich aldus - verwijtbaar - schuldig gemaakt aan plichtsverzuim, zodat de korpsbeheerder bevoegd was appellant disciplinair te straffen.
5.1. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de hem verweten gedragingen zich in een privésetting hebben afgespeeld overweegt de Raad dat ook handelen buiten diensttijd onder omstandigheden strijdig kan zijn met hetgeen een goed ambtenaar betaamt en aldus plichtsverzuim kan opleveren, bijvoorbeeld in situaties waarbij de ambtelijke hoedanig-heid en de privéactiviteiten onvoldoende gescheiden of te scheiden zijn of wanneer het handelen, gelet op de vervulde functie, het aanzien van de openbare dienst heeft geschaad (CRvB 29 november 2001, LJN AK6811 en TAR 2002, 41). In het onderhavige geval kunnen de in privégesprekken gedane uitlatingen van appellant, zeker waar deze ook betrekking hadden op het onderzoek tegen C., niet geheel los worden gezien van zijn hoedanigheid van politieambtenaar. Dit laat onverlet dat de uitlatingen van appellant moeten worden beoordeeld in de context waarin zij zijn gedaan, waarop de Raad hierna onder 6. zal ingaan.
6. De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de ernst van de aan appellant verweten en op zich strafwaardige gedragingen. De korpsbeheerder had met een minder zware bestraffing dienen te volstaan nu het plichtsverzuim niet zo omvangrijk en zwaar is als door de korpsbeheerder is opgevat. Van daadwerkelijke frustratie van het onderzoek tegen C. is geen sprake geweest. De Raad neemt hierbij voorts in aanmerking dat bij appellant onmiskenbaar voorop heeft gestaan om in een moeilijke situatie de echtgenote en de zoon van C., met wie hij zeer bevriend was, tot steun te zijn. Doordat appellant bij de in de persoonlijke sfeer gevoerde gesprekken, waarbij de onschuld van C., in elk geval tot diens gedeeltelijke bekentenis, werd hoog gehouden, niet altijd voldoende distantie heeft betracht en hem te verwijten uitlatingen heeft gedaan, is zijn functioneren als politieambtenaar niet ernstig in gevaar gebracht, noch is het functioneren van het korps daardoor ernstig verstoord of het aanzien daarvan in ernstige mate aangetast.
7. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten. De korpsbeheerder zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
8. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 augustus 2005 gegrond;
Vernietigt dit besluit;
Draagt de korpsbeheerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de politieregio [district];
Bepaalt dat de politieregio [district] aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2007.