ECLI:NL:CRVB:2007:BA3494

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6534 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • G.J.H. Doornewaard
  • I.M.J. Hilhorst - Hagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17 Wsf 2000Art. 11.5 Wsf 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering wegens meerinkomen en weigering hardheidsclausule studiefinanciering

Appellant maakte bezwaar tegen een vordering wegens meerinkomen in 2001, inclusief een boete voor het gebruik van een OV-kaart. Hij beriep zich op de hardheidsclausule van artikel 11.5 Wsf 2000, stellende dat het onvoorziene overlijden van zijn vader hem verhinderde tijdig de studiefinanciering stop te zetten.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat ondanks het overlijden van de vader en het nabestaandenpensioen er sprake bleef van meerinkomen. Appellant had het grootste deel van zijn inkomsten uit arbeid na het overlijden verworven en had de studiefinanciering tijdig kunnen stopzetten.

De Raad vond dat de IB-Groep in redelijkheid kon weigeren de hardheidsclausule toe te passen. Ook de hoogte van de OV-boete stond volgens vaste rechtspraak in redelijke verhouding tot de overtreding. De Raad sprak zich niet uit over een eventueel recht op een extra jaar studiefinanciering, omdat dit buiten het huidige geschil viel.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vordering wegens meerinkomen en wijst toepassing van de hardheidsclausule af.

Uitspraak

05/6534 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2005, 05/896 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 13 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellant was in persoon aanwezig. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 13 april 2005 heeft de IB-Groep ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen haar besluit van 18 januari 2005 waarbij zij heeft vastgesteld dat appellant in 2001 € 11.902,44 aan toetsinginkomen heeft gehad en, gegeven een bijdragevrije voet van € 9.110,64, meerinkomen heeft gehad in verband waarmee hij € 1.492,68 (€ 802,56 aan ontvangen basis- en/of aanvullende beurs, tot welk bedrag het meerinkomen is beperkt, + € 690,12 aan zogeheten boete gebruik OV-kaart gedurende 12 maanden) dient terug te betalen.
Voorzover appellant met zijn bezwaarschrift heeft beoogd een beroep te doen op de in artikel 11.5 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) neergelegde hardheidsclausule, heeft de IB-Groep overwogen dat haar niet is gebleken van omstandigheden die tot toepassing daarvan aanleiding geven.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.
De omstandigheid dat appellant in verband met het behalen van de studienorm de over de maanden september 2001 tot en met december 2004 ontvangen prestatiebeurs en de over de maanden september 2001 tot en met december 2005 ontvangen OV-lening niet behoeft terug te betalen, leidt er niet toe dat de regelgeving inzake meerinkomsten niet (meer) van toepassing is, zodat de IB-Groep ingevolge artikel 3.17, eerste lid, van de Wsf 2000 was gehouden om ten aanzien van 2001 te bezien of sprake was van meerinkomen.
Dat appellant in 2001 een zogeheten toetsinginkomen had van € 11.902,44 is niet in geschil. Gegeven een bijdragevrije voet in 2001 van € 9.110,64, bedroeg het meerinkomen in 2001 € 802,56. Dat de bijverdiengrens slechts gedurende een aantal maanden is overschreden terwijl de vordering betrekking heeft op het gehele kalenderjaar 2001, maakt dat ingevolge de vaste rechtspraak van de Raad niet anders.
Met de IB-Groep is de rechtbank van oordeel dat de inkomsten uit werkzaamheden en het nabestaandenpensioen (appellants vader is op 10 juli 2001 overleden) behoren tot het toetsinginkomen. Dat die werkzaamheden in het kader van zijn opleiding verplicht waren, verhinderde appellant weliswaar om die werkzaamheden en de daaruit voortkomende bijverdiensten te staken, maar dat maakt niet dat appellant zijn studiefinanciering niet (tijdig) had kunnen stopzetten ter voorkoming van terugbetaling. Dat het overschrijden van de bijdragevrije voet mede is veroorzaakt door het door appellant ontvangen nabestaandenpensioen, doet evenmin af aan de mogelijkheid om de studiefinanciering (tijdig) stop te zetten.
Gelet op de vaste rechtspraak van de Raad staat de hoogte van de OV-boete in redelijke verhouding tot de ernst van de overtreding.
De IB-Groep heeft dan ook in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule, aldus tot slot de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde argumenten herhaald. Voorts heeft hij benadrukt dat hem niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat hij er na het onvoorziene overlijden van zijn vader niet aan heeft gedacht de studiefinanciering stop te zetten. Tevens heeft hij gesteld dat bevestiging van de aangevallen uitspraak zal betekenen dat hij over 2001 geen studiefinanciering heeft ontvangen en dus nog recht heeft op een jaar studiefinanciering in het kader van de studies die hij aan de Universiteit van Amsterdam aan het volgen is.
De Raad overweegt als volgt.
De IB-Groep is ingevolge artikel 11.5 van de Wsf 2000 bevoegd tot afwijking van de in artikel 3.17 van die wet neergelegde verplichting tot het opleggen van een vordering wegens meerinkomen, indien toepassing van die bepaling zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Aangezien niet in geschil is dat appellant ingevolge artikel 3.17 van de Wsf 2000 € 1.492,68 is verschuldigd, wordt dit geding beheerst door de vraag of de IB-Groep onder de in dit geval gegeven omstandigheden met toepassing van de hardheidsclausule het (verplicht) opleggen van de vordering geheel of ten dele achterwege had behoren te laten.
Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat de IB-Groep niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van haar bevoegdheid gebruik te maken. Ook indien het nabestaandenpensioen in 2001 buiten beschouwing wordt gelaten, is - zoals is gebleken - er sprake van meerinkomen. Blijkens de stukken heeft appellant het grootste deel van zijn inkomsten uit arbeid verworven na het overlijden van zijn vader. Invoelbaar is dat appellant na die ingrijpende gebeurtenis niet direct heeft stilgestaan bij de gevolgen van meerinkomen en niet heeft gedacht aan het stopzetten van de studiefinanciering, maar die gebeurtenis vormt niet zonder meer een afdoende verklaring voor het later in dat jaar, bij het oplopen van het inkomen uit arbeid en het naderen van de bijdragevrije voet, niet alsnog stopzetten.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld ingeval van bevestiging van de aangevallen uitspraak nog recht te hebben op een jaar studiefinanciering.
Dienaangaande heeft de IB-Groep ter zitting verklaard dat dat standpunt van appellant niet juist is, omdat ingevolge de Wsf 2000, waarvan de innerlijke waarde niet ter rechterlijke toets staat, de toekenning van studiefinanciering over 2001 op zichzelf door de vordering wegens meerinkomen niet is beperkt, met andere woorden, hoewel appellant als gevolg van de vordering over 2001 per saldo geen studiefinanciering heeft ontvangen, blijft 2001 als tijdvak waarover studiefinanciering aan appellant is toegekend meetellen voor het maximale aantal jaren waarover studiefinanciering kan worden toegekend.
Wat daarvan ook zij, die eventuele toekomstige kwestie valt buiten de omvang van het thans aanhangige geschil, zodat de Raad daarover thans geen oordeel mag uitspreken.
Gelet op het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak niet voor vernietiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM