ECLI:NL:CRVB:2007:BA3496

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2813 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en vergoeding wettelijke rente na hoger beroep

Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV waarbij haar WAO-uitkering was verlaagd naar 15-25% arbeidsongeschiktheid per 17 september 2003. De rechtbank had het beroep tegen het primaire besluit van 14 januari 2004 gegrond verklaard en het UWV veroordeeld tot betaling van renteschade en proceskosten, maar het beroep tegen het latere besluit van 25 oktober 2004 ongegrond verklaard.

Tijdens het hoger beroep wijzigde het UWV het besluit van 25 oktober 2004 en kende appellante een volledige WAO-uitkering toe, waarbij zij werd aangemerkt als 80-100% arbeidsongeschikt. De Raad stelde vast dat het UWV hiermee aan het beroep tegemoet was gekomen en vernietigde het besluit van 25 oktober 2004.

De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot betaling van de proceskosten van appellante, begroot op € 322,--. Tevens werd het griffierecht van € 103,-- aan appellante vergoed. Appellante was niet verschenen bij de zitting, het UWV werd vertegenwoordigd.

Deze uitspraak bevestigt het belang van het recht op een correcte herziening van sociale zekerheidsuitkeringen en de vergoeding van wettelijke rente bij te late betaling.

Uitkomst: Het besluit van het UWV tot verlaging van de WAO-uitkering is vernietigd en het UWV is veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten aan appellante.

Uitspraak

05/2813 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 april 2005, 2004/137 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 14 maart 2007 een nader besluit van dezelfde datum in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Wardenburg.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 14 januari 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit van 21 juli 2003 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 17 september 2003 ingetrokken.
Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het Uwv nader besloten tot herziening van de WAO-uitkering van appellante per 17 september 2003 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit d.d. 14 januari 2004 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft in verband hiermee het Uwv veroordeeld tot betaling aan appellante van renteschade en tot vergoeding van de proceskosten van appellante, en bepaald dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht vergoedt.
Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2004 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep van appellante richt zich alleen tegen de beslissing van de rechtbank aangaande de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2004.
Bij het kort voor de zitting overgelegde besluit van 14 maart 2007 heeft het Uwv het besluit van 25 oktober 2004 gewijzigd en besloten om appellante per 17 september 2003 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO te achten.
De Raad stelt vast dat het Uwv hiermee geheel aan het (hoger) beroep van appellante is tegemoet gekomen.
Aangezien namens appellante ook schadevergoeding is gevorderd, behoudt zij belang bij een beoordeling van haar hoger beroep.
Gelet op het nieuwe besluit van het Uwv acht de Raad het aangewezen om het besluit d.d. 25 oktober 2004 te vernietigen.
De Raad zal het Uwv overeenkomstig het verzoek van appellante veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de in verband met het besluit van 14 maart 2007 na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante verschuldigde wettelijke rente over die na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten wegens de verleende rechtsbijstand op € 322,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het inleidende beroep voor zover gericht tegen het besluit van 25 oktober 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering in voege als in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 april 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. Gunter.
RB2903