ECLI:NL:CRVB:2007:BA3683

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2894 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens intrekking besluit UWV

Appellant ging in hoger beroep tegen een besluit van het UWV waarbij zijn WAO-uitkering werd herzien van 80-100% arbeidsongeschiktheid naar minder dan 15% per 28 januari 2004. De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen waren onderschat en dat hij de voorgestelde functies niet kon vervullen.

Tijdens het hoger beroep gaf het UWV bij brief aan het eerdere besluit van 21 april 2004 niet langer te handhaven en verklaarde het bezwaar van appellant gegrond, waardoor hij ongewijzigd 80-100% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant liet vervolgens weten geen belang meer te hebben bij een inhoudelijke behandeling van zijn zaak.

De Raad oordeelde dat het belang bij het hoger beroep was komen te vervallen en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten en vergoedingen voor rechtsbijstand en medische rapporten aan appellant.

De uitspraak werd gedaan door J. Janssen en uitgesproken op 13 april 2007. Het hoger beroep richtte zich op het besluit van het UWV van 21 april 2004, dat was herzien en later ingetrokken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard nadat het UWV het eerdere besluit introk en appellant geen belang meer had bij behandeling.

Uitspraak

05/2894 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 april 2005, 04/1058 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 13 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was – zoals tevoren bericht – niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 21 april 2004, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, heeft herzien en met ingang van 28 januari 2004 heeft berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Voor een overzicht van de aan het besluit van
21 april 2004 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard op de in de aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen.
In hoger beroep heeft appellant – kort samengevat – aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat het Uwv bij brief van 9 februari 2007 heeft aangegeven het besluit van 21 april 2004 niet langer te handhaven. Bij besluit van 9 februari 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellant alsnog gegrond verklaard, in die zin dat hij op en na 28 januari 2004, de datum in geding, ongewijzigd 80-100% arbeidsongeschikt wordt geacht. In reactie op dit besluit heeft appellant bij brief van zijn gemachtigde van 13 februari 2007 aangegeven geen belang meer te hebben bij een inhoudelijke behandeling van zijn zaak.
Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het belang aan het hoger beroep is komen te ontvallen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en een bedrag van € 560,- aan gemaakte kosten voor de in beroep en hoger beroep uitgebrachte rapporten van orthopeed C.N. van Dijk.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1526,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.