ECLI:NL:CRVB:2007:BA3800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-805 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 AbwArt. 54 lid 3 onder a WWBArt. 58 lid 1 onder a WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht woonadres

Appellant kreeg vanaf 28 juli 2003 bijstand toegekend. Het dagelijks bestuur vermoedde dat appellant niet op het opgegeven adres woonde en startte een onderzoek. Dit onderzoek omvatte onder meer observaties, het horen van de hoofdbewoner en appellant zelf. Op basis hiervan concludeerde het dagelijks bestuur dat appellant niet op het opgegeven adres woonde en trok de bijstand in, met terugvordering van €6.972,21.

De rechtbank vernietigde het besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing. De Raad oordeelt dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet het juiste woonadres te verstrekken, wat essentieel is voor de rechtmatigheid van de bijstand.

De onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen en observaties, bieden een toereikende basis voor deze conclusie. Appellant kon geen huurcontract of betalingsbewijs overleggen. De Raad bevestigt daarom het besluit tot intrekking en terugvordering en ziet geen reden voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering wegens schending van de inlichtingenplicht over het woonadres.

Uitspraak

06/805 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 december 2005, 05/39 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de intergemeentelijke sociale dienst Optimisd te Veghel (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 10 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling treedt in dit geding het dagelijks bestuur in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint-Michielsgestel. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur mede dat College verstaan.
Namens appellant heeft mr. A.H.J. Barten, advocaat te Boxmeer, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Barten. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.E. Ritrae, werkzaam bij de intergemeentelijke sociale dienst Optimisd.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Aan appellant is met ingang van 28 juli 2003 bijstand toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande.
Naar aanleiding van het vermoeden dat appellant - voor zover hier van belang - niet op het door hem opgegeven adres woonde, heeft het Team Handhaving regio ’s-Hertogenbosch (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer informatie ingewonnen bij diverse instanties, zijn observaties uitgevoerd bij het door appellant opgegeven woonadres aan de [adres 1] te [plaatsnaam], is de hoofdbewoner van dat pand, mevr. [A.] (hierna: [A.]), verhoord en is appellant gehoord. Per 1 mei 2004 is de uitbetaling van de bijstand geblokkeerd. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportage van 18 juni 2004. Bij besluit van 12 juli 2004 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant over de periode van 28 juli 2003 tot en met 30 april 2004 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 6.972,21 van hem teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant heeft verzwegen dat hij geen woonplaats had in de gemeente Sint-Michielsgestel.
Bij besluit van 23 november 2004 heeft het dagelijks bestuur het tegen het besluit van 12 juli 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat aan appellant als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting terzake van zijn woonadres ten onrechte bijstand is verleend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 23 november 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat naar vaste rechtspraak de vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige inlichtingen over zijn woonadres te verstrekken aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening en voortzetting van bijstand.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche, waaronder met name de door appellant en [A.] afgelegde verklaringen alsmede de uitgevoerde observaties, een toereikende basis bieden voor de conclusie dat appellant ten tijde in geding niet op het door hem opgegeven woonadres woonde. De feitelijk aangetroffen woonsituatie op het adres [adres 1] bevestigt het beeld dat door deze verklaringen wordt opgeroepen, terwijl de beweerdelijke inwoning bovendien niet met een huurcontract of schriftelijke betalingsbewijzen is gestaafd. Hetgeen appellant en [A.] nadien ter verduidelijking van hun eerder afgelegde verklaringen hebben aangevoerd alsmede het gegeven dat aan laatstgenoemde kennelijk geen kopie van haar verklaring is verstrekt, kunnen hier niet aan afdoen. De Raad merkt in dat verband nog op dat uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 mei 2004 blijkt dat [A.] de opgetekende verklaring in concept heeft doorgelezen, gecorrigeerd en ondertekend.
Door niet aan het dagelijks bestuur mee te delen dat hij ten tijde in geding niet feitelijk op het adres [adres 1] woonde, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenplicht kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Het dagelijks bestuur was derhalve ingevolge artikel 54, derde lid, onder a, respectievelijk artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand en tot terugvordering van gemaakte kosten van bijstand. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij afweging van de daarbij rechtsreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.