ECLI:NL:CRVB:2007:BA3815

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2303 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid

Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen zijn onderschat en dat de functies die haar werden voorgehouden niet passend zijn. Zij verzocht tevens om een onderzoek door een onafhankelijke medisch deskundige. De rechtbank had het beroep eerder ongegrond verklaard, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.

De Raad overwoog dat appellante geen aanvullende medische stukken had overgelegd die haar stellingen onderbouwen en dat ook in de bestaande medische stukken geen aanwijzingen waren voor onzorgvuldigheid. De verklaringen van de orthopeed en revalidatiearts ondersteunden de bevindingen van de verzekeringsartsen. Het UWV had met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige in hoger beroep aan de motiveringseisen voldaan.

De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak bevestigt dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld bij de herziening van de WAO-uitkering.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

05/2303 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2005, 03/2860 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 13 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld, daarin bijgestaan door mr. J.W. de Bruin, advocaat te Oss.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Appellante is niet verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidend beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 11 september 2003, waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voordien werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, heeft herzien en met ingang van 13 februari 2003 heeft berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Voor een overzicht van de aan het besluit van
11 september 2003 voorafgegane relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard onder overweging – kort samengevat – dat niet is gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de beperkingen van appellante gelet op de beschikbare medische informatie juist zijn vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat er geen noodzaak bestond om appellantes revalidatiearts te raadplegen, dat de in beroep overgelegde verklaring van de revalidatiearts de bevindingen van de verzekeringsarts ondersteunt, dat appellante haar stelling dat zij – onder meer als gevolg van RSI – meer beperkingen heeft dan is aangenomen, niet heeft onderbouwd met medische stukken en dat geen aanleiding bestaat om een onderzoek door een medisch deskundige te gelasten. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat appellante in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te vervullen, nu deze functies in belangrijke mate afwijken van haar eerdere – als gevolg van de specifieke belasting niet meer geschikt geachte – werkzaamheden.
In hoger beroep heeft appellante onder verwijzing naar haar bezwaar- en beroepschrift herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat en dat de geduide functies voor haar niet passend zijn. Daarbij heeft appellante evenals in beroep verzocht om een onderzoek door een medisch deskundige te gelasten. Ten slotte heeft appellante gesteld dat het besluit van
11 september 2003 onvoldoende toetsbaar, verifieerbaar en transparant is gelet op de uitspraken van de Raad van
9 november 2004 over de gebruikmaking door het Uwv van het ‘Claimbeoordelings- en Borgingssysteem’ (CBBS).
De Raad overweegt als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden is om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de medische beperkingen van appellante onzorgvuldig dan wel onjuist hebben vastgesteld. De Raad betrekt het volgende in zijn oordeel.
Primair verzekeringsarts G.H.M. van Loon heeft blijkens zijn rapporten van 13 september 2002 en 14 oktober 2002 na anamnese, eigen onderzoek van appellante en kennisneming van de bevindingen van de behandelend orthopeed
R.E.F. Zick vastgesteld dat bij onderzoek is gebleken dat appellante ‘weinig afwijkingen’ heeft. Desalniettemin heeft hij appellante vanwege haar elleboogklachten beperkt geacht in het verrichten van een aantal handelingen en het aannemen van enkele houdingen. Bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke heeft in zijn rapport van 21 mei 2003 de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven.
De Raad stelt vast dat appellante geen medische stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat haar klachten zijn onderschat. Daar komt bij dat de Raad ook in de voorhanden zijnde medische stukken geen aanknopingspunt ziet voor twijfel aan de juistheid van de aangenomen beperkingen. In dit verband wijst de Raad op de verklaring van orthopeed Zick van 30 september 2002 waarin deze heeft gesteld: ‘(B)ij het klinisch onderzoek en het röntgenonderzoek werden geen bijzondere afwijkingen gevonden en ik concludeerde tot surmenage klachten.’ Verder acht de Raad van belang dat appellantes revalidatiearts F.A.J. de Laat in zijn verklaring van 23 oktober 2003 heeft aangegeven dat ‘(aangepast) werk op zich een gunstig resultaat heeft op pijnbeleving’.
Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding voor het gelasten van een onderzoek door een onafhankelijke deskundige.
Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het besluit van 11 september 2003 oordeelt de Raad dat het Uwv middels het rapport van bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet van 16 februari 2007 eerst in hoger beroep aan de in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN-nrs. AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) gestelde motiveringseisen heeft voldaan. De Raad ziet hierin aanleiding om zowel het besluit van 11 september 2003 als de aangevallen uitspraak te vernietigen.
De Raad is echter van oordeel dat het Uwv met het hiervoor genoemde rapport – bezien in combinatie met het rapport van bezwaararbeidsdeskundige F.L. de Roo van 1 augustus 2003 – adequaat heeft toegelicht dat, uitgaande van de op
16 september 2002 vastgestelde ‘Functionele Mogelijkheden Lijst’, appellante op de datum in geding, 13 februari 2003, in staat kon worden geacht tot het vervullen van de haar voorgehouden functies, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. De Raad volgt appellante derhalve niet in haar stelling dat zij de haar voorgehouden functies niet kan vervullen en verwijst daartoe ook naar de overwegingen van de rechtbank te dien aanzien.
Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 11 september 2003 alsnog gegrond;
Vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 134,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.
(get) J. Janssen.
(get) A.C.W. Ris-van Huussen.