ECLI:NL:CRVB:2007:BA3817

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2562 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als flexouder/kinderoppas, viel in 1999 uit wegens surmenage- en darmklachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling in 2003 stelde een verzekeringsarts dat zij weer duurzaam benutbare mogelijkheden had, met een afgenomen psychische belastbaarheid. De arbeidsdeskundige vond passende arbeid mogelijk zonder verlies van verdiencapaciteit, waarna het Uwv de WAO-uitkering introk.

Appellante voerde bezwaar aan met onder meer psychische problematiek, taalbarrière zonder tolk tijdens onderzoek, en twijfels over de passendheid van de geduide functies. Medische en arbeidskundige rapporten bevestigden echter de eerdere conclusies. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de beoordeling van de rechtbank en acht de medische en arbeidskundige grondslagen zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. Er is geen aanleiding om de diagnose of de geschiktheid voor passende arbeid te herzien. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering blijft van kracht.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/2562 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2005, 04/3177 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.J.A. van Schaik, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend en heeft bij schrijven van 27 december 2006 nog een tweetal stukken in geding gebracht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 6 februari 2007, waar beide partijen met berichtgeving niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, die laatstelijk voor 32 uur per week werkzaam was als flexouder/kinderoppas, is op 25 november 1999 in verband met surmenage- en darmklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden.
De verzekeringsarts N.R. Aroetunian oordeelde dat appellante per einde wachttijd op 23 november 2000 geen duurzaam benutbare mogelijkheden had, waarop het Uwv appellante met ingang van 27 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft toegekend, berekend naar de klasse
80-100%.
Appellante is in het kader van de eerstejaars herbeoordeling op 24 september 2003 onderzocht door de arts T.D.W. Alta. Deze oordeelde dat appellante weer duurzaam benutbare mogelijkheden had, maar dat er rekening gehouden moest worden met een afgenomen psychische belastbaarheid. De belastbaarheid van appellante is weergegeven in een op 24 september 2003 gedateerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De arbeidsdeskundige J.H.J. van Dijk oordeelde in zijn rapportage van 23 april 2004 dat appellante ongeschikt te achten was voor haar eigen werk, maar geschikt te achten was voor passende arbeid en dat er na functieduiding geen verlies aan verdiencapaciteit resteerde.
De WAO-uitkering van appellante is daarop door het Uwv, na aanzegging bij brief van 23 april 2004, bij besluit van 1 juni 2004 met ingang van 24 juni 2004 ingetrokken.
In bezwaar is namens appellante aangevoerd dat de bij haar bestaande psychische problematiek sedert 2000 onverkort aanwezig is en zij volledig arbeidsongeschikt te achten is. Voorts is namens appellante, die Turkse is en de Nederlandse taal niet goed machtig is, gesteld dat de uitslag van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bemoeilijkt is omdat er geen tolk aanwezig was tijdens het onderzoek. Wat de arbeidskundige grondslag van het besluit betreft heeft appellante aangevoerd dat de geduide functies niet berekend zijn voor haar belastbaarheid, dat de functies met functieniveau 2 dienen te vervallen en dat de motivering voor de geschiktheid van de functie machinaal metaalbewerker ernstig in twijfel wordt getrokken.
Bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman heeft blijkens haar rapportage van van de RIAGG geen argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen heeft in zijn rapportage van 21 september 2004 nader gemotiveerd om welke redenen de voorgehouden functies met niveau 2 passend te achten zijn voor appellante. De functies zoals vastgesteld door de arbeidsdeskundige Van Dijk werden door hem onverminderd van toepassing geacht, maar het verlies aan verdiencapaciteit werd nader vastgesteld naar 7%. Een en ander had geen gevolgen voor de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse, waarna het Uwv bij besluit op bezwaar van
23 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard.
Het Uwv heeft de rechtbank onder verwijzing naar een op 19 januari 2005 gedateerde rapportage van bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw desgevraagd een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de passendheid van de functies ten aanzien van de “niet matchende” aspecten, en de realiteitsdata van de functies.
Appellante heeft de rechtbank nog een medische rapportage van de GGZ Groep Europoort van 1 maart 2005 doen toekomen waaruit blijkt dat appellante lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (chronische type). Bezwaarverzekeringsarts
P. van de Merwe heeft hierin geen argumenten gevonden om een ander standpunt in te nemen dan bezwaarverzekeringsarts Hofman.
De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven, maar heeft aanleiding gezien het bestreden besluit te vernietigen met instandlating van de rechtsgevolgen omdat eerst in hoger beroep een afdoende motivering gegeven is voor de geschiktheid van de geduide functies.
Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsartsen bij het vaststellen van de beperkingen uitgegaan zijn van een onjuiste diagnose, namelijk surmenage in plaats van posttraumatische stressstoornis, en derhalve onderzocht had moeten worden of appellante dientengevolge anders dan wel verdergaand beperkt was. Appellante is verder van oordeel dat aan de diagnose zoals vastgesteld door de GGZ Europoort meer gewicht moet toekomen dan aan het oordeel van de verzekeringsarts omdat deze laatste appellante slechts eenmalig heeft gezien en de anamnese toen is afgenomen zonder bijstand van een Turkse tolk, terwijl appellante reeds langer bekend was bij de GGZ Europoort alwaar zij ook in 1998/1999 in behandeling was.
Appellante, die voorts van oordeel is dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met de bij haar bestaande geheugen- en concentratieklachten, acht zich tot slot niet in staat de geduide functies te verrichten.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is evenals de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit op een onjuiste of onzorgvuldige medische grondslag berust.
De Raad overweegt hiertoe dat Alta in de FML vergaande beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid heeft vastgesteld en Hofman, na kennisneming van het aanmeldverslag van de RIAGG en appellante ter hoorzitting nog enkele vragen gesteld te hebben, geen argumenten gezien heeft om de belastbaarheid zoals vastgesteld in de FML voor onjuist te achten. Hofman heeft daarbij oog gehad voor de trieste voorgeschiedenis van appellante, maar oordeelde tevens dat, gelet op het dagpatroon van appellante, er geen sprake was van onvermogen om in het dagelijkse leven te functioneren. Verder merkte zij op dat appellante geen medicijnen gebruikte en zij voor haar klachten niet in behandeling was.
De Raad heeft in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen. De Raad overweegt hiertoe dat de door appellante gestelde geheugen- en concentratieklachten blijkens de verzekeringsgeneeskundige rapportages door Alta en Hofman niet konden worden vastgesteld en voor deze klachten evenmin aanwijzingen gevonden kunnen worden in het aanmeldverslag van de RIAGG en de medische rapportage van de GGZ Groep Europoort van 1 maart 2005.
De Raad merkt verder op dat het vaststellen van een andere diagnose niet zonder meer leidt tot het in aanmerking nemen van andere beperkingen en de bij appellante bestaande klachten haar in 1998/1999 niet belet hebben te werken in het Turks badhuis.
Voorts is de Raad uit de stukken niet gebleken dat het feit dat appellante de Nederlandse taal niet goed machtig is, Alta belemmerd heeft in zijn oordeelsvorming.
De Raad onderschrijft wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) C.D.A. Bos.