ECLI:NL:CRVB:2007:BA3822

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2118 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K.J.S. Spaas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van WAO-uitkering na herbeoordeling bij whiplashklachten

Appellante, die arbeidsongeschikt is geraakt door aanhoudende whiplashklachten na een aanrijding in 1999, ontving vanaf 2001 een WAO-uitkering in de klasse 80-100%. Na een herbeoordeling in 2003 werd deze uitkering herzien naar 45-55%. Appellante betwistte de juistheid van de beperkingen en de geschiktheid van de geduide functies, met name op het gebied van persoonlijk functioneren en dynamische handelingen.

De rechtbank oordeelde dat de beperkingen juist waren vastgesteld, maar vernietigde het besluit vanwege onvoldoende motivering van de geschiktheid van de functies. In hoger beroep handhaafde het UWV zijn standpunt met aanvullende rapportages van arbeidsdeskundigen. De Centrale Raad van Beroep zag geen aanleiding om aan de juistheid van het besluit te twijfelen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

De medische onderzoeken, waaronder die van verzekeringsartsen, een klinisch psycholoog en het Whiplash Centrum Nederland, toonden geen objectieve afwijkingen die de beperkingen in het persoonlijk functioneren zouden onderbouwen. De Raad hechtte meer waarde aan de medische rapportages dan aan de door appellante gepresenteerde klachten. De geschiktheid van de geduide functies werd als voldoende aangetoond beschouwd.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan door K.J.S. Spaas op 24 april 2007.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot handhaving van de WAO-uitkering in de klasse 45-55%.

Uitspraak

05/2118 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 februari 2005, 04/457 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L. Stové, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft bij schrijven van 2 september 2005, onder verwijzing naar een bijgevoegde rapportage van bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts, een nadere motivering op het besluit ingestuurd. Hierop is namens appellante bij schrijven van 10 januari 2007, met bijlage, gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellante en haar gemachtigde, zijn met berichtgeving, niet verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, die in verband met aanhoudende whiplashklachten na een aanrijding op 19 augustus 1999 is uitgevallen voor haar werkzaamheden als financieel adviseur, is door het Uwv na ommekomst van de wachttijd, met ingang van 22 augustus 2001, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar de klasse 80-100%. Deze uitkering is bij de eerstejaars herbeoordeling ongewijzigd voortgezet naar de klasse 80-100%.
Appellante is op 13 mei 2003 in het kader van een herbeoordeling naar de mate van haar arbeidsongeschiktheid onderzocht door verzekeringsarts J.M. Dijkstra. De verzekeringsarts concludeerde na dossieronderzoek, eigen onderzoek en kennisneming van een rapportage van de Stichting Mind at Work dat appellante wat psychische beperkingen betreft aangewezen is op overzichtelijk en gestructureerd werk (dit omdat het geheugen en reactievermogen van appellante over de dag heen verminderde) en dat dubbeltaken, hectiek en het werken onder tijdsdruk en met deadlines vermeden moet worden. Wat de lichamelijke beperkingen betreft is appellante aangewezen op niet al te zwaar werk. Dijkstra heeft de beperkingen van appellante vastgesteld in een op 14 mei 2003 gedateerde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Appellante heeft naar het oordeel van de verzekeringsarts duurzaam benutbare mogelijkheden voor arbeid.
De arbeidsdeskundige H.C. Stamm oordeelde in haar rapportage van 19 juni 2003 dat er na functieduiding een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 54,77%. De WAO-uitkering van appellante is daarop bij besluit van 24 juni 2003 met ingang van 20 augustus 2003 herzien naar de klasse 45-55%.
In bezwaar is door de bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen aanleiding gezien de huisarts van appellante, P. Strikwerda, te raadplegen. Strikwerda heeft Van Bruggen bij brief van 12 december 2003 bericht dat hem uit de hem ter beschikking staande en aan zijn brief aangehechte informatie van de curatieve sector, waaronder een op 27 oktober 2003 gedateerde medische verklaring van klinisch psycholoog C.A. Wind, een op 18 augustus 2003 gedateerde verklaring van de neuroloog P.J.H.W. Jansen en een rapportage van 3 maart 2001 van Whiplash Centrum Nederland, en een door hem verricht neurologisch onderzoek niet gebleken is van afwijkingen of traumatische veranderingen.
De bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen heeft op grond van de informatie van de curatieve sector en eigen onderzoek geen verzekeringsgeneeskundige argumenten gevonden om af te wijken van het oordeel van Dijkstra.
De bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens oordeelde in zijn rapportage van 26 februari 2004 dat de door Stamm geduide functies zijns inziens nog steeds passend te beschouwen waren. Het Uwv heeft bij besluit op bezwaar van 19 maart 2004, hierna: het bestreden besluit, zijn primair besluit gehandhaafd.
Appellante is van het bestreden besluit in beroep gekomen en heeft daartoe aangevoerd dat haar beperkingen in de FML, onder meer ten aanzien van persoonlijk functioneren en dynamische handelingen zijn onderschat. Verder heeft de verzekeringsarts naar het oordeel van appellante geen rekening gehouden met de voor appellante geldende rusttijden en is hij er aan voorbijgegaan dat appellante zich beter presenteert dan dat zij zich voelt. Ook zou er geen lichamelijk onderzoek hebben plaatsgevonden. Appellante heeft tot slot de geschiktheid van de geduide functies betwist omdat hierin onder meer dubbeltaken voorkomen en er in de functies geen sprake is van voorspelbare werksituaties.
Bezwaararbeidsdeskundige M. Meertens heeft bij rapportages van 8 juli 2004 en 9 december 2004, na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, nog eens nader toegelicht hoe de beperkingen bij de aspecten 1.9.4. (geen afleiding) en 1.9.5. (voorspelbare werksituatie) van de FML uitgelegd moeten worden en waarom de geduide functies door hem ongewijzigd geschikt bevonden worden.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat haar niet gebleken is dat de beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank oordeelde wel dat het bestreden besluit, met instandhouding van de rechtsgevolgen, voor vernietiging in aanmerking komt, nu eerst in beroep door het Uwv een voldoende motivering gegeven is voor de geschiktheid van de geduide functies.
In hoger beroep is door appellante aangevoerd dat er onvoldoende rekening is gehouden met dan wel onderzoek is gedaan naar haar medische beperkingen.
Het Uwv heeft de Raad bij brief van 2 september 2005 onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige Meertens in beroep en een op 1 september 2005 gedateerde rapportage van bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts bericht zijn standpunt te handhaven dat de geduide functies geschikt zijn te achten voor appellante. In zijn rapportage van 1 september 2005 heeft Coerts een aanvullende motivering gegeven ten aanzien van de geschiktheid van de geduide functies met betrekking tot de aspecten trillingsbelasting, tillen of dragen, langdurig gedwongen zitten en boven schouderhoogte actief zijn.
In reactie op deze rapportage heeft appellante bij schrijven van 10 januari 2007 gesteld dat er in de rapportage van
1 september 2005 uitsluitend is ingegaan op de geschiktheid van de geduide functies voor wat betreft de fysieke beperkingen van appellante. Het Uwv heeft naar het oordeel van appellante verzuimd de geschiktheid van de geduide functies te beoordelen met betrekking tot haar persoonlijk functioneren. Appellante heeft onder verwijzing naar een bijgevoegde notitie uiteengezet om welke redenen de geduide functies ook op deze grond ongeschikt te achten zijn. Voorts heeft zij haar visie gegeven op de verzekeringsgeneeskundige rapportages en de FML.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad heeft evenals de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit.
Wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft overweegt de Raad dat hem niet gebleken is dat de beperkingen van appellante niet juist zouden zijn vastgesteld of dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig geweest is.
De verzekeringsartsen hebben de beperkingen van appellante vastgesteld op grond van eigen onderzoek, dossieronderzoek (waaronder een rapportage van het Whiplash Centrum Nederland), de rapportage van de Stichting Mind at Word en informatie van de curatieve sector. De Raad heeft uit deze stukken niet kunnen afleiden dat de beperkingen van appellante, en meer bepaald de beperkingen ten aanzien van het persoonlijk functioneren, zijn miskend. De Raad overweegt hiertoe dat uit de informatie van de curatieve sector blijkt dat het Whiplash Centrum Nederland een Whiplash-associated disorder graad 2 diagnosticeerde, maar dat uit neurologisch en neuropsychologisch onderzoek en een X-CWK van 16 september 1999 niet gebleken is van disfuncties of traumatische veranderingen aan de nek. De verzekeringsartsen hebben niettegenstaande het feit dat de door appellante gepresenteerde klachten niet consistent waren met hun onderzoeksbevindingen toch aanleiding gezien beperkingen vast te stellen. Wat betreft het persoonlijk functioneren hebben de verzekeringsartsen overwogen dat appellante aangewezen is op werk waarbij zij niet wordt afgeleid door activiteiten van anderen, er sprake is van een voorspelbare werksituatie en er geen sprake is van deadlines of productiepieken. De Raad is uit de overgelegde medische stukken en de rapportage van Stichting Mind at Work niet genoegzaam gebleken dat appellante tevens beperkt is wat betreft concentratie, verdelen van de aandacht, herinneren en doelmatig handelen. De concentratieproblemen werden immers niet waargenomen door de verzekeringsartsen, de neuroloog Jansen, de klinisch psycholoog Wind en in het onderzoek dat verricht is door de Stichting Mind at Work. Dit geldt evenzo voor wat betreft de aspecten ‘verdelen van aandacht’ en ‘doelmatig handelen’. Wat het aspect ‘herinnering’ betreft kan opgemerkt worden dat in de rapportages van de Stichting Mind at Work en het Whiplash Centrum Nederland vermeld wordt dat de geheugenfunctie wat beperkt is, maar dat een dergelijke beperking door klinisch psycholoog Wind en de verzekeringsartsen niet kon worden geobjectiveerd. Nu het Whiplash Centrum Nederland voor zijn oordeelsvorming grotendeels afgaat op de door appellante gepresenteerde klachten, ziet de Raad aanleiding meer waarde te hechten aan het oordeel van klinisch psycholoog Wind en de verzekeringsartsen.
Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft overweegt de Raad dat het Uwv de geschiktheid van de geduide functies genoegzaam heeft aangetoond.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.
(get) K.J.S. Spaas.
(get) C.D.A. Bos.