ECLI:NL:CRVB:2007:BA4211

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3937 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing WUV-uitkering wegens onvoldoende kennisvergaring

Appellant, geboren in 1927, diende in juni 2005 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster wees de aanvraag af omdat het verblijf van appellant in verschillende huizen van bewaring en kamp Amersfoort niet werd beschouwd als vervolging in de zin van de Wet. Verweerster stelde dat appellant was gestraft vanwege het wegnemen van een fiets van een Duitser en dat de straf niet extreem was volgens destijds geldende Nederlandse normen.

Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat de straf, met name de internering in kamp Amersfoort, buitensporig was. De Raad constateerde dat verweerster niet had toegelicht waarop het oordeel over de proportionaliteit van de straf was gebaseerd. Er ontbraken onderliggende stukken en gegevens die inzicht gaven in de context van de gevangenneming.

De Raad oordeelde dat verweerster onvoldoende onderzoek had gedaan, met name geen nader onderzoek bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie had verricht, waardoor niet duidelijk was of andere motieven voor de gevangenneming bestonden. Dit betekent dat verweerster niet voldeed aan de verplichting uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht om de nodige kennis te vergaren bij besluitvorming.

Daarom verklaarde de Raad het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerster een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd verweerster gelast het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de WUV-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende kennisvergaring door het bestuursorgaan.

Uitspraak

06/3937 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (Australië) (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 april 2006, kenmerk JZ/M60/2006, ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Daar is appellant, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren in 1927, heeft in juni 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 29 december 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden, op de grond dat het door appellant gestelde verblijf in het politiebureau van Bloemendaal, in het Huis van Bewaring te Haarlem, het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam en in kamp Amersfoort niet kan worden beschouwd als vervolging in de zin van de Wet. In dat verband is overwogen dat appellant niet behoorde tot een van de groepen van personen tegen wie de Duitse bezetter op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing maatregelen heeft gericht. Naar het oordeel van verweerster kan aangenomen worden dat appellant vanwege het wegnemen van een fiets van een Duitser is gestraft en dat dit vergrijp de reden is geweest voor de gevangenschap en voorts dat het opleggen van gevangenisstraf voor dat vergijp en de duur daarvan, naar de destijds bestaande - Nederlandse - normen niet extreem was.
In bezwaar en beroep heeft appellant aangevoerd - kort samengevat - dat de opgelegde strafmaat, met name de internering in kamp Amersfoort, voor het wegnemen van een fiets buitensporig is geweest.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Die vraag beantwoordt de Raad ontkennend en hij overweegt daartoe als volgt.
Niet betwist wordt dat appellant, die omstreeks half december 1944 is opgepakt, naar moet worden aangenomen vanwege het stelen van een fiets die Duits bezit was, na verblijf in verschillende huizen van bewaring is geïnterneerd in kamp Amersfoort en daar heeft verbleven tot dat kamp is bevrijd door de Canadezen.
Naar het oordeel van verweerster was die straf, hoewel zwaar, naar toenmalige maatstaven niet extreem.
De Raad is evenwel noch uit de gedingstukken noch uit het verhandelde ter zitting duidelijk geworden waarop verweerster dat oordeel doet steunen. Onderliggende stukken of gegevens op grond waarvan zulks inzichtelijk wordt gemaakt, ontbreken.
Zo acht de Raad onderbelicht gebleven in hoeverre de internering vanwege het gestelde vergrijp in kamp Amersfoort, gelet op de status van dat kamp, past in het tijdsbeeld of dat mogelijk andere motieven aan de gevangenneming ten grondslag hebben gelegen. Naar het oordeel van de Raad had het dan ook op de weg van verweerster gelegen nader onderzoek te doen verrichten door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, ten einde een meer precies beeld te verkrijgen omtrent appellants gevangenneming.
De Raad is gezien het vorenstaande tot de slotsom gekomen dat verweerster niet heeft voldaan aan het in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde voorschrift dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten.
Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.
De Raad ziet, ten slotte, geen termen aanwezig tot het uitspreken van een kosten-veroordeling nu niet is gebleken van kosten aan de zijde van appellant gevallen welke op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Gelast dat de Pensioen- en Uitkeringsraad het door appellant betaalde griffierecht ad
€ 35,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) W.M. Szabo.