ECLI:NL:CRVB:2007:BA4221

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4023 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUV-uitkering wegens ontbreken vervolging in zin van de Wet

Appellante, geboren in 1919, verzocht in juni 2005 om een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij vanwege haar joodse afkomst en de arrestatie van haar vader door de Duitse bezetter ondergedoken was geweest om vervolging te ontlopen.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellante als kind uit een gemengd joods/niet-joods huwelijk niet viel onder de groepen die door de Duitse bezetter werden vervolgd. Bovendien was zij al in juni 1940 gehuwd met een niet-joodse Nederlander, waardoor zij de Nederlandse nationaliteit verkreeg en de Britse verloor.

De Raad bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat appellante daadwerkelijk vervolging had ondergaan zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet. Het feit dat zij zich schuilhield was onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

Daarnaast wees de Raad een vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WUV-uitkering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

06/4023 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 april 2007
I PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 31 maart 2006, kenmerk JZ/T60/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen , werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren in 1919, heeft in juni 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij vanaf het begin van de oorlog tot in 1944 onder-gedoken is geweest uit vrees voor vervolging wegens de joodse afkomst van haar vader. Deze vrees was te erger omdat haar vader al dadelijk door de Duitse bezetter werd opgepakt en geïnterneerd vanwege zijn Britse nationaliteit, terwijl zijn joodse afkomst bekend was.
Deze aanvraag heeft verweerster bij besluit van 31 oktober 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat appellante geen vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan. Daartoe is overwogen - kort samengevat - dat appellante als kind uit een zogenoemd gemengd huwelijk niet behoorde tot een van de groepen tegen wie de Duitse bezetter op grond van ras, geloof of wereldbeschouwing vervolgingsmaatregelen heeft gericht.
De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Die vraag beantwoordt de Raad op de navolgende gronden bevestigend.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voorzover hier van belang, onder vervolging verstaan iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de Nederland bezettende vijandelijke macht werd gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereld-beschouwing of homosexualiteit en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving of onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
De Raad heeft in vaste rechtspraak onderschreven het ook in deze zaak door verweerster ingenomen standpunt dat kinderen uit een gemengd joods/niet-joods huwelijk tijdens de oorlogsjaren in beginsel niet aan vervolging blootstonden. Niet is gebleken van omstandigheden die erop wijzen dat dit in het geval van appellante anders is geweest, dit te minder nu appellante blijkens de gedingstukken al in juni 1940 was gehuwd met een niet-joodse Nederlander waardoor zij bovendien de Nederlandse nationaliteit verwierf en de Britse verloor.
In het licht van het voorgaande is de omstandigheid dat appellante zich, naar is gesteld, enige tijd heeft schuilgehouden voor de toepassing van artikel 2 van Pro de Wet niet van betekenis.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) W.M. Szabo.