ECLI:NL:CRVB:2007:BA4223

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3387 wuv
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 19, eerste lid onder d, Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Berekeningsbeschikking kibbutzinkomsten niet vatbaar voor bezwaar en beroep

Appellante, weduwe en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, betwistte de wijze van korting van haar kibbutzinkomsten op haar periodieke uitkering. Verweerster stelde bij berekeningsbeschikking van 30 september 2005 de uitkering definitief vast met toepassing van deze korting. Appellante maakte bezwaar tegen deze korting, dat door verweerster ongegrond werd verklaard.

Eerder was al vastgesteld dat de korting van de kibbutzinkomsten sinds 1 februari 2003 rechtens onaantastbaar was geworden, omdat tegen eerdere besluiten hierover geen tijdig bezwaar of beroep was ingesteld. De Raad oordeelde dat de beschikking van 30 september 2005 geen nieuw of ander besluit bevat dan reeds eerder genomen besluiten over de korting.

Daarom is de berekeningsbeschikking niet vatbaar voor bezwaar en beroep zoals bedoeld in artikel 1:3 Awb Pro. Het bestreden besluit kon niet in stand blijven en werd vernietigd. De Raad verklaarde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk en bepaalde dat appellante het betaalde griffierecht vergoed krijgt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

06/3387 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 april 2007
I PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 20 april 2006, kenmerk JZ/K80/2006 (hierna: bestreden besluit), ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellante, als weduwe van [naam echtgenoot], uitkerings-gerechtigde in de zin van de Wet.
Bij berekeningsbeschikking van 31 januari 2004 en het daarbij behorende nader bericht van 6 februari 2004 heeft verweerster de aan appellante toekomende periodieke uitkering met ingang van 1 februari 2003 voorlopig bijgesteld; dit op de grond dat appellante per die datum was gestopt met werken in de Kibbutz zodat haar kibbutzinkomsten vanaf dat moment als zijnde pensioeninkomsten op haar periodieke uitkering dienden te worden gekort als overige inkomsten als bedoeld in artikel 19, eerste lid onder d, van de Wet.
Het tegen deze korting ingediende bezwaar heeft verweerster bij besluit van 29 september 2004 ongegrond verklaard.
Tegen laatstgenoemd besluit heeft appellante beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van de Raad van 28 april 2005,
nr. 05/71 WUV, na verzet gehandhaafd bij uitspraak van 16 februari 2006, niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.
In aanmerking genomen dat appellante tegen de definitieve berekening van haar periodieke uitkering over het jaar 2003, waarbij eveneens van voormelde korting is uitgegaan, geen bezwaar heeft gemaakt, betekent het voorgaande dat het besluit over de wijze van korting van de kibbutzinkomsten van appellante rechtens onaantastbaar is geworden.
Bij berekeningsbeschikking van 30 september 2005 heeft verweerster de aan appellante over het jaar 2004 toekomende periodieke uitkering definitief vastgesteld, waarbij wederom is uitgegaan van de hiervoor vermelde wijze van korting van de kibbutz-inkomsten van appellante. Het door appellante tegen deze wijze van korting (wederom) gemaakte bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De Raad moet vaststellen dat in de berekeningsbeschikking van 30 september 2005 over de wijze van korting van de kibbutzinkomsten niet een nieuw of nader besluit is opgenomen dan al tot uiting is gebracht in de berekeningsbeschikkingen over het jaar 2003. Dit betekent dat de beschikking van 30 september 2005 met betrekking tot de door appellante betwiste wijze van korting geen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit bevat als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verweerster had het tegen de berekeningsbeschikking van 30 september 2005 ingediende bezwaar dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Het bestreden besluit kan deswege niet in stand blijven. De Raad zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar tegen de berekeningsbeschikking van 30 september 2005 alsnog niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) W.M. Szabo.