ECLI:NL:CRVB:2007:BA4238

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3977 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 60 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 61a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nabetaling AOW pensioen in mindering gebracht op WUV-uitkering

Appellante ontving een nabetaling van €3.323,59 netto wegens herziening van haar recht op AOW pensioen vanaf april 2000, nadat bleek dat ten onrechte een korting was toegepast. Verweerster bracht deze nabetaling terecht in mindering op de periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV), conform artikel 60 van Pro de Wet.

Appellante stelde dat verweerster op grond van artikel 61a van de Wet van terugvordering had kunnen afzien, maar de Raad oordeelde dat het dwingendrechtelijke karakter van artikel 60 geen Pro andere mogelijkheid liet dan terugvordering. De terugbetaling geschiedde via maandelijkse inhouding van €50, wat niet onredelijk werd bevonden.

Verder werd het standpunt van appellante dat verweerster haar zorgplicht niet had nagekomen verworpen. De Raad stelde dat de gang van zaken, waarbij verweerster financiële gegevens verzamelde, diende tot een juiste berekening van de uitkering en dat mocht worden uitgegaan van de juistheid van schriftelijke gegevens.

Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen toepassing gegeven aan proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 april 2007.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de terugvordering van de nabetaling AOW pensioen via inhouding op haar WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/3977 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep doen instellen tegen verweersters besluit van 23 mei 2006, kenmerk JZ/L80/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 februari 2007. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde
. J.A. Oudendijk, advocaat te Amsterdam. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Aan appellante is bij verweersters besluit van 29 mei 2002 ingaande 1 juli 2002 een periodieke uitkering als weduwe van een vervolgde toegekend. Bij de berekening van deze periodieke uitkering is door verweerster in aanmerking genomen dat aan appellante blijkens een besluit van de Sociale verzekeringsbank van 19 april 2002 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) is toegekend van € 799,70 bruto per maand.
Bij besluit van 20 maart 2006 heeft verweerster ten aanzien van appellante toepassing gegeven aan artikel 60 van Pro de Wet en de haar toekomende periodieke uitkering van juli 2002 tot en met februari 2006 herzien in verband met een door appellante ontvangen nabetaling aan AOW pensioen. Verweerster heeft hierbij vastgesteld dat appellante over genoemde periode
€ 2.835,20 te veel heeft ontvangen, welk bedrag van haar wordt teruggevorderd. Een door appellante tegen verweersters besluit van 20 maart 2006 gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.
Gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, heeft de Raad de vraag te beantwoorden of laatst genoemd besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante ingevolge een besluit van de Sociale verzekeringsbank van 18 januari 2006 een nabetaling van € 3.323,59 netto heeft gekregen in verband met herziening van haar recht op AOW pensioen vanaf april 2000, omdat is gebleken dat ten onrechte op dit pensioen een korting is toegepast.
Ingevolge het bepaalde in artikel 60 van Pro de Wet worden - voor zover van belang - indien met terugwerkende kracht op grond van wettelijke voorzieningen pensioenen worden toegekend, deze overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van Pro de Wet in mindering gebracht op de uitkeringen ingevolge de Wet, met inachtneming van de periode waarop zij betrekking hebben. Het teveel betaalde wordt teruggevorderd.
Gelet op deze bepaling is de door appellante ontvangen nabetaling aan AOW pensioen door verweerster terecht op de aan appellante toekomende periodieke uitkering op grond van de Wet in mindering gebracht gedurende het gehele tijdvak dat zij deze periodieke uitkering heeft genoten, nu de nabetaling aan AOW pensioen betrekking heeft op een langere periode dan die waarover zij periodieke uitkering ingevolge de Wet ontving. Gezien het dwingendrechtelijke karakter van artikel 60 had Pro verweerster voorts geen andere mogelijkheid dan het teveel betaalde van appellante terug te vorderen. De stelling van appellante dat verweerster op grond van artikel 61 a van de Wet van terugvordering had kunnen afzien, kan de Raad gezien naar de duidelijke bewoordingen van artikel 60 van Pro de Wet, niet onderschrijven.
De Raad overweegt voorts nog dat verweerster door de terugbetaling te laten geschieden door maandelijkse inhouding van € 50,- op de periodieke uitkering van appellante, is gekomen tot een voor appellante niet onredelijke of onaanvaardbare terugbetalings-regeling.
Bovendien en ten overvloede ziet de Raad aanleiding het volgende op te merken. Namens appellante is het standpunt ingenomen dat verweerster de op haar rustende zorgplicht jegens appellante niet is nagekomen, nu de medewerker van verweerster die appellante heeft bezocht in verband met het verzamelen van financiële gegevens ten behoeve van de vaststelling van de aan haar toekomende periodieke uitkering niet onmiddellijk heeft opgemerkt dat appellante een gekort AOW pensioen ontving. Deze opvatting kan de Raad niet onderschrijven. Naar zijn oordeel heeft deze gang van zaken, die door verweerster bij wijze van service aan uitkeringsgerechtigden wordt gevolgd, geen andere functie dan te komen tot een juiste en zorgvuldige berekening van de periodieke uitkering ingevolge de Wet. Hierbij kan en mag worden uitgegaan van de juistheid van uit schriftelijke stukken blijkende gegevens die voor berekening van deze periodieke uitkering van belang zijn.
Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) W.M. Szabo.