ECLI:NL:CRVB:2007:BA4240

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4024 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bijzondere voorziening verhuiskosten wegens onvoldoende medische noodzaak

Appellant, een vervolgde en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, verzocht om een bijzondere voorziening voor verhuiskosten vanwege eczeem- en psychische klachten. Deze klachten zouden het traplopen in zijn flat zonder lift bemoeilijken en het gebruik van het balkon onmogelijk maken.

Verweerster, de Pensioen- en Uitkeringsraad, wees het verzoek af omdat medische adviezen geen noodzaak tot verhuizing ondersteunden. De Raad oordeelde dat de klachten, hoewel hinderlijk, met aanpassingen in het dagelijks leven en medische behandeling beheersbaar zijn en geen zodanige beperkingen veroorzaken dat een verhuizing proportioneel en adequaat is.

De Raad vond de medische adviezen toereikend en voldoende gemotiveerd. Er was geen medisch voorschrift tot verhuizing, ook niet in de aanvullende verklaring van de dermatoloog. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om bijzondere voorziening verhuiskosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/4024 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 1 juni 2006, kenmerk JZ/I/70/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Appellant is daar in persoon verschenen met bijstand van mr. M.L. Hamburger, advocaat te Amsterdam, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door
J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1941, vervolgde en uitkeringsgerech-tigde in de zin van de Wet. Aanvaard is dat de psychische klachten en de eczeemklachten van appellant in het vereiste verband staan met de ondergane vervolging.
Bij vervolgaanvraag van september 2005 heeft appellant verzocht om een bijzondere voorziening in de kosten van verhuizing en herinrichting. Blijkens het terzake opgemaakte sociaal rapport heeft appellant met name als reden voor verhuizing aangegeven, dat hij vanwege zijn eczeemklachten in knieholtes en liezen steeds meer moeite heeft met de trappen naar zijn flat (zonder lift) op de derde verdieping. Daarnaast is gesteld dat hij vanwege zijn psychische (claustrofobische) klachten niet van het balkon gebruik kan maken.
Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 23 december 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Hiertoe is overwogen - samengevat - dat een verhuizing geen adequate en proportionele oplossing biedt voor de huidklachten van appellant, in aanmerking genomen dat die klachten bij aangepast werk en doeltreffende medische behandeling ook niet zodanige beperkingen meebrengen dat traplopen niet mogelijk is. Ook op grond van de psychische klachten van appellant heeft verweerster geen noodzaak om te verhuizen aanwezig geoordeeld.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster dat geen sprake was van een medische noodzaak tot verhuizen, in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten ten laatste op, onder meer, een onderzoek van appellant door een van de genoemde adviseurs, de arts R.J. Roelofs, en op informatie uit de behandelende sector. Naar voren komt dat de eczeemklachten van appellant zijn toegenomen sinds hij weer is gaan werken, bij welke werkzaamheden hij soms veel moet lopen waardoor hij bij thuiskomst problemen ondervindt bij het traplopen, alsmede dat hij ten tijde van het onderzoek al geruime tijd niet meer voor deze klachten onder specialistische behandeling stond. Verder komt naar voren dat appellant in zijn woning op zich geen last heeft van claustrofobie mits hij niet de diepte inkijkt. Onder deze omstandigheden is in de medische adviezen een noodzaak om te verhuizen niet aanwezig geacht.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen naar behoren voorbereid en toereikend gemotiveerd. In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunt gevonden om de door verweerster gevolgde medische visie onjuist te oordelen.
Hoewel op zich aannemelijk is - en ook door verweerster wordt aanvaard - dat appellant van zijn klachten veel hinder ondervindt, acht de Raad anderzijds ook voldoende onderbouwd dat appellant door enige, in redelijkheid te vergen aanpassingen in zijn dagelijks leven kan bewerkstelligen dat die hinder niet leidt tot zodanige beperkingen dat verhuizing noodzakelijk is te achten. Daarbij komt dat uit de voorhanden medische informatie van de behandelende sector niet blijkt, ook niet uit de in beroep nog ingezonden verklaring van de dermatoloog J.R. Wikler, van een medisch voorschrift om te verhuizen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat dit besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) W.M. Szabo.