ECLI:NL:CRVB:2007:BA4246

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4337 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Appellante, geboren in 1940 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg in 2004 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische klachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Bersiap-periode. Verweerster wees de aanvraag af omdat het oorlogsgeweld dat zij heeft ondergaan niet heeft geleid tot een blijvende invaliditeit zoals bedoeld in de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

De Raad bevestigde dit standpunt na beoordeling van medische adviezen, waaronder een rapport van arts I.P.L. Koperberg uit mei 2005. Uit het onderzoek bleek dat de psychische klachten van appellante niet veroorzaakt zijn door het erkende oorlogsgeweld in het beschermingskamp Mulo Mendjangan, maar door ongeregeldheden in Bandung die niet onder de Wet vallen.

Verder concludeerde de Raad dat de medische beoordeling zorgvuldig en volledig was en dat individuele omstandigheden van appellante een eigen beoordeling vereisen, waardoor vergelijkingen met lotgenoten niet relevant zijn. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

06/4337 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante)
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 5 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 juni 2006, kenmerk JZ/D70/2006, ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2007. Daar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. B. Ammerlaan-Lentze, wonende te Rotterdam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslacht-offer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Die aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheids-klachten (psychische klachten) die een gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 18 oktober 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat appellante weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld, te weten de betrokkenheid bij ongeregeld-heden tijdens het verblijf in het beschermingskamp Mulo Mendjangan, maar dat dit oorlogsgeweld bij appellante niet heeft geleid tot een blijvende invaliditeit in de zin van de Wet. In dat verband is overwogen dat het geverifieerde oorlogsgeweld niet van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de bij appellante aanwezige psychische klachten en dat de oorzaak van deze klachten veeleer ligt in niet onder de Wet vallende gebeurtenissen.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen namens appellante in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
De door appellante gemelde ongeregeldheden te Bandung tijdens de Bersiap-periode heeft verweerster niet aangemerkt als onder de Wet vallende gebeurtenissen, aangezien uit nader verkregen informatie van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie is gebleken dat het in 1947, toen volgens appellante die ongeregeldheden zouden hebben plaatsgevonden, in Bandung rustig is geweest en dat de beschietingen op het Oranjeplein te Bandung die appellante heeft vermeld, in historische zin moeten worden geplaatst in januari 1950 tijdens de zogenaamde “coup Westerling”, op welke periode de Wet geen betrekking heeft. Voor de aan de Wet te ontlenen aanspraken heeft verweerster uitsluitend aanvaard dat appellante tijdens de Bersiap-periode direct betrokken is geweest bij ongeregeldheden tijdens haar verblijf in het beschermingskamp Mulo Mendjangan.
De Raad kan zich daarmee verenigen.
Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet heeft de Raad vervolgens te beoordelen of verweerster op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellante geen sprake is van met die gebeurtenis samenhangende tot blijvende invaliditeit leidend, psychisch, letsel.
Blijkens de gedingstukken is dit standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op een rapport van een medisch onderzoek van appellante op 11 mei 2005 door een van deze geneeskundig adviseurs, de arts I.P.L. Koperberg. Uit genoemd rapport komt naar voren dat de impact van alleen de aanvaarde calamiteit te gering is om op grond daarvan een causale pyschoproblematiek aan te kunnen nemen en dat de bij appellante bestaande psychische klachten juist betrekking hebben op de ongeregeldheden in Bandung.
Anders dan namens appellante in beroep en tijdens het verhandelde ter zitting is aangevoerd acht de Raad het in het bestreden besluit neergelegde standpunt naar behoren voorbereid en gemotiveerd. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat de arts Koperberg, voornoemd, in een uitgebreide anamnese het geheel van de (traumatische) oorlogservaringen van appellante heeft betrokken en op grond daarvan heeft geoordeeld dat de bij appellante aanwezige psychische klachten niet in verband kunnen worden gebracht met de aanvaarde calamiteit, maar zijn toe te schrijven aan de ongeregeldheden in Bandung. Aangezien verweerster, zoals hierboven verwoord, op basis van de nader verkregen informatie die ongeregeldheden terecht niet heeft aangemerkt als onder de Wet vallende gebeurtenissen, en dientengevolge toepassing van het zogenoemde SOT-beleid niet aan de orde kan komen, kunnen de medische gevolgen van bedoelde gebeurtenissen niet bij onderhavige beoordeling worden betrokken. Voorts heeft de Raad, mede in aanmerking genomen dat appellante geen nadere medische gegevens heeft overgelegd, geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de volledigheid van het onderzoek door de arts Koperberg dan wel aan de juistheid van diens bevindingen en conclusies.
Voorzover namens appellante naar voren is gebracht dat een broer en met name de (tweeling) zuster van appellante, die in dezelfde omstandigheden hebben verkeerd als zij wel in aanmerking zijn gebracht voor een uitkering, merkt de Raad op dat de vraag of een aanvrager door zijn oorlogservaringen geacht kan worden blijvend invalide te zijn geworden berust op een individuele beoordeling. Aangezien elk individu de meegemaakte oorlogservaringen op zijn eigen wijze verwerkt, is bij een medische beoordeling een vergelijking met lotgenoten niet aan de orde.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) W.M. Szabo.