ECLI:NL:CRVB:2007:BA4268

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-454 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • R. Kooper
  • J.L.P.G. van Thiel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 11:7 CAR/UWOArt. 11:9 CAR/UWO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit College over ontslaguitkering en opdragen nieuwe beslissing

Appellant heeft een aanvraag gedaan voor een ontslaguitkering op grond van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met betrekking tot het einde van zijn dienstverband bij de gemeente Grave. Het College kende hem een uitkering toe voor de periode van 18 augustus 2000 tot 24 augustus 2001, maar wees de aanvraag af voor de periode van 24 augustus 1998 tot 18 augustus 2000.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en volgde het College in de uitleg dat de afwijzing gelijkgesteld moest worden aan het terugkomen van een in rechte onaantastbaar besluit, waardoor terughoudend getoetst moest worden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat deze uitleg onjuist is en dat appellant ook aanspraak heeft op een uitkering over de voorafgaande periode. Het College moet een nieuwe beslissing nemen.

Daarnaast oordeelt de Raad dat appellant recht heeft op een vervolguitkering van een jaar op grond van de CAR/UWO, gelet op zijn arbeidsverleden en de toepasselijke artikelen. Ook hierover moet het College een nieuwe beslissing nemen. De Raad wijst proceskosten af en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over de ontslaguitkering.

Uitspraak

06/454 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 januari 2006, 04/3570 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Grave (hierna: college)
Datum uitspraak: 12 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Gelet op de door partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij uitspraak van 27 mei 2004, LJN AP1232 en TAR 2005, 6, heeft de Raad het college opdracht gegeven met inachtneming van die uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen de afwijzing door het college van appellants aanvraag om een ontslaguitkering op grond van de toepasselijke Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (hierna: CAR/UWO). De aanvraag was gedaan op 18 augustus 2000 en had betrekking op het einde van het dienstverband van appellant bij de gemeente Grave met ingang van
24 augustus 1998.
1.3. Het college heeft ter uitvoering van de onder 1.2. vermelde uitspraak bij het bestreden besluit van 7 december 2004 aan appellant alsnog een ontslaguitkering toegekend over de periode van 18 augustus 2000 tot 24 augustus 2001. Het college heeft de aanvraag om uitkering afgewezen over de periode van 24 augustus 1998 tot 18 augustus 2000. Daartoe is overwogen dat uit de omstandigheid dat appellant gedurende twee jaar heeft berust in het niet genieten van een ontslaguitkering, volgt, dat de beslissing op appellants verzoek op één lijn moet worden gesteld met de weigering terug te komen van een in rechte vaststaand besluit en dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan het college gehouden zou zijn alsnog een uitkering over het reeds verstreken tijdvak toe te kennen.
2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft het college gevolgd in zijn standpunt dat hier, gelet op de uitspraak van de Raad van 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43, sprake is van een situatie die op één lijn moet worden gesteld met het terugkomen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Voor de periode voorafgaande aan de aanvraag kan de (gehandhaafde) weigering van ontslaguitkering dan slechts terughoudend worden getoetst. De rechtbank heeft geen feiten of omstandigheden aanwezig geacht, ook niet gelegen in de uitspraak van de Raad van 27 mei 2004, die het college ertoe moesten brengen alsnog een uitkering toe te kennen over de in geding zijnde periode.
2.2. De rechtbank heeft verder de grief van appellant verworpen dat het college de (na de aanvraag gelegen) uitkeringsperiode onjuist heeft berekend.
3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen overweegt de Raad als volgt.
3.1.1. In zijn onder 1.2. vermelde uitspraak heeft de Raad weergegeven dat de rechtbank (in haar uitspraak van 14 januari 2002) de afwijzingsbeslissing terughoudend heeft getoetst omdat appellant ervan op de hoogte was dat het college hem geen uitkering wilde toekennen en omdat er niet zodanige omstandigheden waren dat het college de weigering om een uitkering toe te kennen niet in redelijkheid had kunnen handhaven. De Raad heeft daarop niet met zoveel woorden gezegd dat de rechtbank daarmee een onjuiste toetsingsmaatstaf had gehanteerd. Wel echter heeft de Raad dat impliciet gedaan nu hij immers vervolgens de (gehandhaafde) afwijzingsbeslissing zelf niet terughoudend heeft getoetst maar dat ten volle heeft gedaan naar aanleiding van de grief van appellant dat het college hem niet kon houden aan een getekende verklaring van afstand van recht, welke toetsing heeft geleid tot de vernietiging van de (gehandhaafde) afwijzing van de aanvraag.
3.1.2. Het college en de rechtbank hebben dus een onjuiste uitleg gegeven aan de uitspraak van de Raad. Het college kon niet opnieuw het standpunt innemen dat de aanvraag van appellant opgevat kan worden als een verzoek om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden afwijzingsbeslissing. Daarvoor is ook te minder aanleiding in het licht van de in de CAR/UWO opgenomen bepalingen betreffende het vereiste van een aanvraag en betreffende het verval van aanspraken bij het niet tijdig - binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan van het recht - doen van een aanvraag.
3.1.3. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen dus voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij de afwijzing van de aanvraag over de periode voorafgaand aan de aanvraag is gehandhaafd. Appellant heeft ook over die periode in beginsel aanspraak op een ontslaguitkering en het college zal dan ook daarover een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.
3.2.1. Met betrekking tot de berekening van de periode waarover aanspraak bestaat op een uitkering heeft appellant gewezen op het bepaalde in de artikelen 11:7 en 11:9 van de CAR/UWO. Appellant gaat inmiddels met het college uit van een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar en minder dan 35 jaar en is van oordeel dat hij dan, na de op grond van het tweede lid van artikel 11:7 met Pro 2,5 jaar verlengde aanvangsduur van 6 maanden, aanspraak heeft op een vervolguitkering voor de duur van 1 jaar.
3.2.2. De Raad kan appellant ook hier volgen. Appellant is aan te merken als een betrokkene als bedoeld in artikel 11:9, eerste lid. Het gaat daar immers om iemand die het einde bereikt heeft van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, van de CAR/UWO. Daarvan is bij appellant sprake. Ingevolge het eerste lid van artikel 11:9 heeft Pro de betrokkene dan in aansluiting op de uitkering recht op een vervolguitkering. Omdat van bijzondere omstandigheden geen sprake is, bedraagt ingevolge het derde lid van artikel 11:9 de Pro duur van de vervolguitkering 1 jaar. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen dus ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het college zal ook daarover een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.
4. Omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Grave aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) W.M. Szabo.