ECLI:NL:CRVB:2007:BA4302

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-515 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV wegens onvoldoende motivering arbeidsongeschiktheid WAO

Appellante, werkzaam als schoolassistente, meldde zich ziek vanwege vermoeidheidsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering met het oordeel dat er geen sprake was van ziekte of gebrek die arbeidsongeschiktheid veroorzaakte. De rechtbank Rotterdam verklaarde het eerdere besluit vernietigd wegens strijd met rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, waarna het UWV in hoger beroep het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de functionele beperkingen van appellante. Er had een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) moeten worden opgesteld en een arbeidsdeskundige beoordeling moeten volgen. Medische rapporten, waaronder die van psychiater Van den Boogaard, wijzen op significante beperkingen die niet zijn meegenomen in de beoordeling.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en vernietigt het. Het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

05/515 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 januari 2005, 04/1699 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar voornoemde raadsvrouw. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door dhr. W.J.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Ten gevolge van vooral vermoeidheidsklachten heeft appellante zich op 19 september 2000 ziekgemeld. Daarvoor was zij vanaf 1 januari 1998 voor 28 uur per week werkzaam als schoolassistente.
Bij besluit van 7 november 2001 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, waarbij is overwogen dat al voor het einde van de wettelijke wachttijd geen sprake was van een ziekte of gebrek. Dit besluit is gebaseerd op een rapportage d.d. 19 oktober 2001 van de arts F.M. de Wit. Deze concludeert dat het begrijpelijk is dat appellante is uitgevallen, omdat haar belastbaarheid kleiner was dan de belasting van de werkzaamheden, maar dat de oorzaak van haar arbeidsongeschiktheid niet is gelegen in een ziekte of gebrek.
Bij besluit van 28 augustus 2002 heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 oktober 2003 heeft de rechtbank Rotterdam het laatstgenoemde besluit vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het op zijn plaats zou zijn geweest, dat de artsen van het Uwv informatie hadden opgevraagd bij de artsen die appellante hebben behandeld en bij haar bedrijfsarts. Partijen hebben in deze uitspraak berust.
De bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp heeft de genoemde informatie opgevraagd en verkregen. Alleen de huisarts van appellante heeft niet tijdig informatie verstrekt. De bezwaarverzekeringsarts heeft bovendien de psychiater T.M. van den Boogaard verzocht om een expertise te verrichten. Van den Boogaard heeft op 19 april 2004 verslag gedaan van het onderzoek dat hij heeft verricht. Blijkens zijn rapportage van 7 mei 2004 is Waasdorp van mening dat de nieuwe medische gegevens geen aanleiding vormen om een ander standpunt in te nemen dan zijn collega’s hebben gedaan. Ook hij meent dat appellante geen arbeidsbeperkingen als uiting van ziekte heeft.
Bij besluit van 17 mei 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante opnieuw ongegrond verklaard.
Het beroep daartegen is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich vinden in de beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv, dat de klachten waaruit het arbeidsverzuim van appellante is voortgevloeid, geen uiting van ziekte waren, maar zijn gelegen in de persoonlijkheid van appellante.
In hoger beroep is namens appellante bestreden dat er geen sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Daarbij is onder meer een beroep gedaan op een aantal rapporten van mevrouw Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia.
De Raad oordeelt als volgt.
De (bezwaar)verzekeringsartsen zijn van mening dat de gezondheidsklachten die appellante had ten tijde hier van belang niet zijn te verklaren als uitingen van ziekte. De bezwaarverzekeringsarts Waasdorp concludeert op basis van de voorhanden medische informatie, vooral van de psychiater Van den Boogaard, dat de klachten voortkwamen uit c.q. een uiting waren van relatieve overbelasting, mede beïnvloed door persoonskenmerken van appellante.
De Raad stelt vast dat de gynaecologe K. Blanckaert en de internist R.J.J. van Beek die appellante in het verleden hebben behandeld, zoals blijkt uit de door hen verstrekte informatie, geen duidelijke afwijkingen op hun terrein hebben kunnen vaststellen.
De Raad kan echter de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp niet volgen in zijn interpretatie van het rapport van de psychiater Van den Boogaard.
Op vragen van Waasdorp antwoordt Van den Boogaard dat binnen de criteria van DSM-IV bij appellante op As I sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, en dat er op As II geen aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis, wel voor neurotische trekken; problemen in de agressiehuishouding, en een zekere constitutionele nervositas. Naar de toestand per einde wachttijd 18 september 2001, beantwoordt hij de vraag van Waasdorp naar de aanwezigheid van rechtstreeks uit ziekte of gebrek voortvloeiende objectieve beperkingen als volgt:
“Ten tijde van de datum in geding leken beperkingen formuleerbaar ten aanzien van het vitaliteitsniveau, maar deze weken niet duidelijk af van het vitaliteitsniveau ten tijde van het aanvaarden van de betrekking. Wel zijn er, ten opzichte van het premorbide functioneren in 1998, in 2001 significante beperkingen ten aanzien van het concentratieniveau. En is betrokkene dan duidelijk prikkelbaarder en meer gespannen.”
Niet gezegd kan worden dat in deze beantwoording door Van den Boogaard geen medische beperkingen zijn aangegeven, die bij de beoordeling van voor appellante geschikte arbeidsmogelijkheden in acht behoren te worden genomen.
Ook overigens kan de Raad uit het rapport van Van den Boogaard niet opmaken dat hij duidelijk van oordeel is dat bij appellante geen beperkingen bestaan die rechtstreeks voortvloeien uit een ziekte of een gebrek.
Gelet hierop had bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO van appellante bij het einde van de wettelijke wachttijd op 18 september 2001, niet mogen worden volstaan met het afwijzende oordeel dat nu in geding is. Er had naar het oordeel van de Raad een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld moeten worden waarin de beperkingen van appellante waren vastgelegd, en vervolgens had een arbeidsdeskundige beoordeling dienen te volgen.
Het vorenoverwogene brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.
De gevorderde kosten van de ingeschakelde medisch adviseur betreffen de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van rapporten van mevrouw Verhage, directrice van het Instituut Psychosofia. Zoals de Raad eerder in een aantal uitspraken tot uitdrukking heeft gebracht, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 2006, LJN AW8205, zijn de door Psychosofia uitgebrachte rapporten niet afkomstig van een (medisch) deskundige als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De aan het uitbrengen van genoemde rapporten verbonden kosten komen derhalve niet op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb voor vergoeding in aanmerking.
De gevorderde vergoeding van kosten voor medische informatie van de internist komen ook niet voor vergoeding in aanmerking, omdat niet nader gemotiveerd is op welke informatie de kosten betrekking hebben, en voor de Raad niet duidelijk is geworden of de kosten zijn gemaakt in het kader van de beroeps- of hoger beroepsprocedure inzake het in dit geding bestreden besluit. Wel dient het Uwv de kosten van de van de huisarts ingewonnen informatie ad € 42,60 (incl. BTW) te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep tegen het besluit van 17 mei 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.330,60 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 139, -- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M. Gunter.
TM