Appellant, voormalig productiemedewerker vliegtuigbouw, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid na medische klachten waaronder prostaatcarcinoom en psychische problematiek. Het UWV herzag de uitkering naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage, wat door appellant werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV onvoldoende inzicht en motivering heeft gegeven bij de schatting van de belastbaarheid en de geschiktheid van functies.
De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank over de medische situatie, maar benadrukt dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) als methode acceptabel is mits de toelichting en motivering voldoende zijn. De Raad constateert dat de schatting in eerste aanleg niet voldoende was toegelicht, maar dat het UWV dit in hoger beroep heeft aangevuld met rapportages van arbeidsdeskundigen.
Gezien de gebrekkige motivering in het bestreden besluit vernietigt de Raad het besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72 lid 3 AwbPro. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
05/2518 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 april 2005, 04/5005 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 27 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 16 juni 2005 heeft de gemachtigde van appellant een medische rapportage ingebracht. Bij brieven van
13 februari 2007, 27 februari 2007 en 2 maart 2007 heeft het Uwv zijn standpunt nader toegelicht en de medische stukken aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2007. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam als productiemedewerker vliegtuigbouw toen hij zich op 13 juni 2001 met acute galblaasontsteking ziek meldde. In een later stadium werd een prostaatcarcinoom vastgesteld en daarmee verband houdende psychische problematiek. Met ingang van 12 juni 2002 heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, aanvankelijk naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80 en na bezwaar naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. Bij besluit van 5 mei 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 %. Bij besluit van 9 november 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant daartegen ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts, die appellant zelf heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector, tot een onjuiste vaststelling van de belastbaarheid van appellant is gekomen. Zowel met de depressiviteit van appellant als met zijn stressincontinentie is voldoende rekening gehouden. De door appellant gemelde tremor aan de handen moet naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing blijven, omdat onvoldoende vaststaat dat daarvan al sprake was ten tijde van de afschatting. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de geduide functies passen binnen het opgestelde belastbaarheidspatroon, dat waar sprake is van een overschrijding van de belastbaarheid afdoende is gemotiveerd dat van voor appellant geschikte functies sprake is en dat voldoende aannemelijk is geworden dat in alle functies een toilet gemakkelijk bereikbaar is.
Appellant heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de ook al in beroep ingebrachte rapportage van zenuwarts G.W. de Graaff van 12 februari 2005 het standpunt herhaald dat zijn psychische klachten hem verhinderen arbeid te verrichten en dat de tremor aan de handen hem in ieder geval ongeschikt doet zijn voor de functie van productiemedewerker industrie in verband met het in die functie voorkomende priegelwerk.
Wat betreft de medische kant van de onderhavige schatting verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank.
De bezwaarverzekeringsarts nam kennis van de rapportage van de behandelend psychiater R. Soylu van 24 mei 2004, die evenals De Graaff melding maakt van een depressieve stoornis ten gevolge van levensfaseproblematiek en de klachten na de prostaatoperatie. De beschreven matige depressieve verschijnselen konden de bezwaarverzekeringsarts tot het oordeel brengen dat de belastbaarheid van appellant en zijn vermogen om persoonlijk, sociaal en in arbeid te functioneren correct in beeld zijn gebracht. Voor het niet nader gemotiveerde oordeel van De Graaff dat appellant niet als reëel arbeidsgeschikt kan worden beschouwd ziet ook de Raad in de overigens beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten.
Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad het volgende.
De schatting is uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder andere LJN AR4716) heeft de Raad overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om een systeem als het CBBS in beginsel niet rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft voorts overwogen dat vanwege de hem gebleken onvolkomenheden van het CBBS, uiterlijk bij het besluit op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een zodanige deugdelijk toelichting en motivering, dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. In de reeds lopende zaken, waarin aan laatstvermelde eis niet is voldaan, dient het bestreden besluit in beginsel vernietigd te worden. Indien het Uwv het besluit in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog voorziet van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, kan er aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.
De Raad stelt vast dat het Uwv in hoger beroep met de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon van
13 juli 2005, waarnaar in het verweerschrift wordt verwezen, en van de bezwaararbeidsdeskundige M.J.M. Boers van
8 februari 2007 toereikend heeft gemotiveerd waarom de voor de schatting gebruikte functies door appellant kunnen worden verricht en daarmee heeft voldaan aan de eisen van inzichtelijkheid als neergelegd in bovengenoemde uitspraken.
Ook de Raad acht het onaannemelijk dat van de tremor aan de handen, die wordt beschreven door De Graaff, maar waarvan appellant geen melding heeft gemaakt tijdens de onderzoeken door de (bezwaar-)verzekeringsartsen en het bestaan ervan toen ook niet is vastgesteld, al aanwezig was op de datum in geding en een belemmering vormde voor de werkzaamheden als aan de orde in de functie van productiemedewerker industrie.
Nu de passendheid van de geduide functies eerst in hoger beroep afdoende is toegelicht en gemotiveerd bestaat er aanleiding het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak te vernietigen, maar met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. De kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en eveneens € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 november 2004 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J.G. Treffers en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 april 2007.