ECLI:NL:CRVB:2007:BA4483

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1624 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek terugkomen van WAO-besluiten wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht om terug te komen van eerdere beslissingen over haar arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor de periode van 2 september 1997 tot 1 december 2003. Dit verzoek is door het Uwv afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat er wel nieuwe medische feiten zijn die een herziening van de beslissingen rechtvaardigen. De Centrale Raad van Beroep deelt het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat het Uwv met toepassing van artikel 4:6 Awb Pro bevoegd was het verzoek af te wijzen. De Raad ziet geen reden om aan te nemen dat het Uwv onredelijk of onrechtmatig heeft gehandeld.

Daarnaast verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie over rapporten van het Instituut Psychosofia, die door appellante zijn ingebracht. Gezien het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden kan het hoger beroep niet slagen. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek om terug te komen van WAO-besluiten wordt bevestigd.

Uitspraak

05/1624 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2005, 04/1659 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007, waar namens appellante is verschenen mr. De Jonge, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 1 december 2003 heeft het Uwv het verzoek van appellante om terug te komen van zijn beslissingen ten aanzien van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gedurende de periode van 2 september 1997 tot en met 1 december 2003 afgewezen.
Bij besluit van 24 mei 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv een juiste maatstaf heeft gehanteerd door de vraag te stellen of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het Uwv terecht heeft geoordeeld dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan de voormelde beslissingen niet in stand kunnen blijven.
In hoger beroep is namens appellante het standpunt herhaald dat er voldoende nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen die moeten leiden tot een herziening van de eerdere beslissingen van het Uwv.
De Raad deelt het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb en dat het Uwv dan ook met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb bevoegd was om het verzoek om terug te komen van voormelde beslissingen af te wijzen. In hetgeen door mr. De Jonge is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Voor wat betreft de namens appellante ingebrachte rapporten van het Instituut Psychosofia verwijst de Raad nog naar zijn bij partijen bekende vaste jurisprudentie ter zake van gegevens afkomstig van dit instituut.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat als volgt moet worden beslist.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2007.
(get.) R.C. Stam.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
MR